Court dismisses request to suspend Natura 2000 site designation due to lack of urgency and concrete harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of eighteen Natura 2000 site designation decisions. The applicant argued that suspending one site might prevent the achievement of habitat area targets, causing irreparable harm to his own permit applications. However, the court found the applicant failed to demonstrate that the enforcement of the other seventeen sites was necessary to avoid such consequences. Consequently, the court ruled the request lacked urgency and dismissed it without examining admissibility.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 36ter, §§ 3 to 6, of the Nature Conservation Decree; The court will not grant a suspension of administrative acts concerning Natura 2000 sites unless the applicant concretely demonstrates that enforcement causes irreparable harm and that the request is urgent.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 231.063 van 30 april 2015
in de zaak A. 213.220/VII-39.178.
In zake : Richard BRULS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 165
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 13 november 2014, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van achttien besluiten van de Vlaamse regering van 23 april 2014, meer bepaald van :
"1. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone 'BE2100040 Bovenloop van de Grote Nete met Zammels Broek, Langdonken en Goor' en tot definitieve vaststelling van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
2. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2100015 Kalmthoutse Heide' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2100323 Kalmthoutse Heide' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
3. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2100016 Klein en Groot Schietveld' en tot
VII-39.178-1/14
definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2101437 de Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
4. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone 'BE2100017 Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen' en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
5. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2100024 Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE21015382 Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
6. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2100026 Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones 'BE2100424 De Zegge' en 'BE2101639 De Ronde Put' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
7. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2200028 De Maten' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2200626 De Maten' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
8. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2200029 Vallei- en brongebied van de Zwarte Beek, Bolisserbeek en Dommel met heide en vengebieden' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2218311 Militair domein en de vallei van de Zwarte Beek' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
9. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2200030 Mangelbeek en heide- en vengebieden tussen Houthalen en Gruitrode' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2220313 Houthalen-Helchteren, Meeuwen-Gruitrode en Peer' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
10. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2200031 Valleien van de Laambeek, Zonderikbeek, Slangebeek en Roosterbeek met vijvergebieden en heiden' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2219312 Het Vijvercomplex van Midden-Limburg' en 'BE 2200525 Bokrijk en omgeving'
van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
11. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2200032 Hageven met Dommelvallei,
VII-39.178-2/14
Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen'; 'BE2200033 Abeek met aangrenzende moerasgebieden'; 'BE2200034 Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide en Bergerven' en tot definitieve vaststelling voor die zones en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2221314 Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
12. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2200035 Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE2200727 Mechelse heide en Vallei van de Ziepbeek' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
13. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone 'BE2200042 Overgang Kempen-Haspengouw' en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
14. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone 'BE2300005 Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel' en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
15. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2300006 Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones 'BE 2301235 Durme en Middenloop van de Schelde', 'BE 2301336 Schorren en polders van de Beneden-Schelde' en het onderdeel Blokkersdijk van de speciale beschermingszone 'BE2300222 De Kuifeend en Blokkersdijk' van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
16. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone 'BE2400012 Valleien van de Winge en de Motte met valleihellingen' en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
17. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone 'BE2400014 Demervallei' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone 'BE222316 De Demervallei' en van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;
18. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone 'BE2500004 Bossen, heiden en valleigebieden van zandig Vlaanderen:
westelijk deel' en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingdoelstellingen en prioriteiten".
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
VII-39.178-3/14
Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april 2015.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Kristien Vanderheiden, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Gegevens van de zaak
3.1. Het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992
inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones betreft onder meer het gebied "BE2100040 Bovenloop van de Grote Nete met Zammels Broek, Langdonken en Goor", thans het voorwerp van het eerste bestreden besluit, alsook de gebieden die het voorwerp zijn van de zeventien andere bestreden besluiten.
3.2. Krachtens het decreet van 19 juli 2002 houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk
VII-39.178-4/14
milieu (hierna : natuurbehouddecreet), van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991
inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 treedt op 10 september 2002, tien dagen na zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad het bij artikel 25
van dat decreet in het natuurbehouddecreet ingevoegde artikel 36bis in werking.
Artikel 36bis, § 12, bepaalt dat de gebieden bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 worden geacht definitief te zijn vastgesteld in de zin van § 6.
3.3. Bij beschikking 2004/813/EG van 7 december 2002 stelt de Europese Commissie de lijst met gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio voorlopig vast. Onder meer de gebieden die thans het voorwerp vormen van de achttien bestreden besluiten staan op die lijst.
3.4. Overeenkomstig de toen geldende tekst van artikel 36bis, § 9, van het natuurbehouddecreet, moesten de gebieden die door de Europese Commissie van communautair belang werden verklaard, door de Vlaamse regering binnen drie maanden worden aangewezen als speciale beschermingszone.
Evenwel bepaalde § 15, eerste lid, dat zodra een gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone definitief is vastgesteld in de zin van § 6 of § 12, het voor de toepassing van de artikelen 13, § 4, 34, 36, 36ter, §§ 3 tot 6, 47 en 48 van het decreet beschouwd wordt als speciale beschermingszone. Volgens het tweede lid van die paragraaf geldt dit ook voor enkele andere wettelijke of decretale bepalingen.
3.5. Bij artikel 55 van het decreet van 12 december 2008 houdende
VII-39.178-5/14
diverse bepalingen inzake energie, leefmilieu, openbare werken, landbouw en visserij wordt artikel 36bis, § 9, van het natuurbehouddecreet gewijzigd. Voortaan moeten de gebieden die door de Europese Commissie van communautair belang worden verklaard "zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen de zes jaar" door de Vlaamse regering worden aangewezen als speciale beschermingszone.
3.6. Op 23 april 2009 neemt de Vlaamse regering het besluit betreffende de aanwijzing van speciale beschermingszones en de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen, dat een nadere regeling en een aantal procedurevoorschriften bevat.
3.7. Bij overeenkomst van 9 mei 2005 koopt verzoeker een grond met vakantiewoning, gelegen aan de Pelterweg in Balen (sectie B, nummers 1340 A13
en 1340 B13), gelegen in een speciale beschermingszone.
3.8. Op 10 december 2008 dient hij een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen en herbouwen van een garage/bergplaats (na sloop oude garage) op deze percelen. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent een ongunstig advies, en op 4 maart 2009 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen de gevraagde vergunning. Verzoeker, die geen tijdige beslissing heeft ontvangen, heeft inmiddels reeds administratief beroep aangetekend bij de deputatie van de provincie Antwerpen. Deze beslist niet tijdig over het beroep, waarop verzoeker beroep aantekent bij de bevoegde minister. Op 4 februari 2010 verleent de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening de gevraagde vergunning, onder voorwaarden. De gemeente Balen dient een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die bij zijn arrest nr. 216.081 van 27 oktober 2011 de stedenbouwkundige vergunning van 4 februari 2010 vernietigt, omdat niet blijkt dat de vergunningverlenende overheid de haar door artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht voldoende is nagekomen.
VII-39.178-6/14
3.9. Bij overeenkomsten van 29 juli 2009 en van een onbekende datum koopt verzoeker in de nabijheid van de eerder gekochte vakantiewoning respectievelijk nog een perceel grond (sectie B, nummer 1327 H16) en een vakantiewoning met grond (sectie B, nummer 1327 D10), eveneens gelegen in de speciale beschermingszone. Hij dient bij Pidpa en Eandis aanvragen in om deze nieuw verworven vakantiewoning aan te sluiten op het waterleidingsnet, respectievelijk het elektriciteitsnet. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen beslist op 1 en 20 september 2010 niet in te stemmen met de uitbreiding van de waterleiding, en op 20 oktober 2010 niet in te stemmen met de realisatie van de uitbreiding van het elektriciteitsnet. Op 4 juli 2011 beslist de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, met verwijzing naar de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, dat toch toelating wordt gegeven om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente voor uitbreiding van het waterleidings- en elektriciteitsnet. De gemeente dient een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die bij zijn arrest nr. 227.106 van 14 april 2014 de beslissing van de minister van 4 juli 2011 vernietigt, omdat uit de bestreden beslissing, noch uit de stukken van het dossier blijkt dat de verwerende partij de haar door artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht is nagekomen.
3.10. In de procedure inzake de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die wordt hernomen na het vernietigingsarrest van 27 oktober 2011
adviseert het Agentschap voor Natuur en Bos opnieuw ongunstig. Op 18 juni 2012
verleent de bevoegde minister opnieuw een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning. De gemeente Balen dient opnieuw een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die bij zijn arrest nr. 227.716 van 17 juni 2014 ook deze tweede stedenbouwkundige vergunning vernietigt, omdat de motivering van het bestreden besluit niet volstaat om te besluiten dat de vergunningverlenende
VII-39.178-7/14
overheid de haar door artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht voldoende is nagekomen.
3.11. Op 23 april 2014 wordt het eerste bestreden besluit genomen.
Artikel 2 wijst het gebied aan als speciale beschermingszone, met zeven deelgebieden (die geografisch niet aaneengesloten zijn), en een totale oppervlakte van 4.280 hectare. In artikel 3 wordt verduidelijkt voor welke habitats (bijlage I bij het natuurbehouddecreet en soorten (bijlage II bij het natuurbehouddecreet) het gebied als speciale beschermingszone wordt aangewezen. Artikel 4 verwijst naar de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten van bijlage 2
bij het besluit. Diezelfde dag worden ook het tweede tot achttiende bestreden besluit genomen.
IV. Voorwaarden van de vordering tot schorsing
4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
V. Spoedeisendheid
Standpunten van de partijen
5. Verzoeker zet uiteen dat de bestreden besluiten werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2015, waardoor ze in werking zijn getreden, en in rekenschap zullen moeten worden genomen door de administratieve overheden :
"De spoedeisendheid van deze zaak voor verzoekende partij ligt in het feit dat sinds een aantal jaren er al een procedure loopt tot het verkrijgen van een
VII-39.178-8/14
vergunning om zijn weekendverblijf te kunnen aansluiten op het water- en elektriciteitsnet.
Ook lopen er procedures tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen en herbouwen van een garage/bergplaats bij het weekendverblijf :
Bij arrest nr. 227.106 van 14 april 2014 werd de beslissing van 4 juli 2011
van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand tot toelating aan Pidpa en aan Eandis om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente Balen (Heerbaan) tot uitbreiding, op aanvraag van Richard Bruls, van het waterleidingsnet, respectievelijk het elektriciteitsnet, vernietigd door uw Raad.
Bij arrest nr. 227.716 van 17 juni 2014 heeft uw Raad het besluit van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport van 18 juni 2012 houdende voorwaardelijke inwilliging van het beroep van Richard Bruls ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen na het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning van Richard Bruls tot het herbouwen van een garage/bergplaats vernietigd.
N.a.v. het vernietigingsarrest van 14 april 2014 heeft verzoekende partij de administratie bij e-mailbericht van 08.05.2014 verzocht om in zijn dossier van de toelating tot het gebruik van het openbaar domein een nieuwe beslissing te nemen:
'Naar aanleiding van het arrest nr. 227.106 van 14 april 2014
(A. 201.378/XII-6667) van de Raad van State, zou ik de minister willen vragen een nieuwe beslissing te nemen in deze zaak rekening houdend met de natuurtoets. (…)'.
Ruimte Vlaanderen deelt bij brief van 10.07.2014 mee dat de minister een nieuw besluit zal treffen in navolging van het vernietigingsarrest nr. 227.716 van 17 juni 2014 :
'In deze zaak stuur ik u een kopie van het arrest nr. 227.716 door de Raad van State op 17 juni 2014 uitgesproken. Het hoger beroep dient hernomen te worden, rekening houdend met de inhoud van het arrest. (…)'.
De administratie deelt bij e-mailbericht van 18.08.2014 het volgende mee:
'Ben bezig met het opnieuw uitschrijven van een beslissing inzake de garage/berging Pelterweg. Deze is ondertussen opgericht. Mijn vraag is of U
omtrent deze voortijdige realisatie enig proces-verbaal, administratieve of rechterlijke beslissing ter kennis is gebracht, dat moet ik in geval van ja-antwoord aan het dossier toevoegen. (artikel 4.2.24 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening). (…) (eigen onderlijning)'.
Nu de bevoegde overheden op het punt staat nieuwe beslissingen te nemen in de twee hoger vermelde dossiers moge het duidelijk zijn dat verzoeker dringende redenen heeft de bestreden beslissing zo spoedig mogelijk te laten schorsen, daar het direct gevolgen heeft op de manier waarop de aanvragen van verzoekende partij beoordeeld dient te worden.
Het is rechtspraak van uw Raad dat organen van actief bestuur besluiten op grond van artikel 159 Grondwet enkel buiten toepassing kunnen laten indien die
VII-39.178-9/14
regeling zo grof onregelmatig is dat zij voor onbestaande moet worden gehouden, wettelijk erkende belangen ernstig schaadt of niet meer verenigbaar is met een later tot stand gekomen hogere of gelijkwaardige rechtsnorm.
Het is niet ernstig voor te houden dat de bevoegde minister de wettigheid van de bestreden beslissingen zelf zal beoordelen. De bestreden besluiten zullen in de beoordeling van de twee aanvraagdossiers worden betrokken alsof ze volledig legaal zijn, met gevolg dat verzoekende partij zal worden geconfronteerd op korte termijn met een onwettig weigeringsmotief dat de bevoegde minister niet kan negeren.
In de procedure tot nietigverklaring die werd ingesteld heeft verzoekende partij nog geen memorie van antwoord ontvangen. Het is duidelijk dat er geen eindarrest zal volgen op het ogenblik dat de bevoegde minister een besluit zal treffen over de twee respectievelijke aanvragen.
Verzoekende partij kan het resultaat van de ingestelde vernietigingsprocedure dan ook niet afwachten, op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. De aanvragen zullen immers worden getoetst aan de bestreden beslissing en naar alle waarschijnlijkheid worden geweigerd op grond van een onwettig motief".
Verzoeker wijst tevens op actuele initiatieven van het Agentschap voor Natuur en Bos voor de ontwikkeling van het gebied :
"Verder onderneemt de overheid (Agentschap Natuur en Bos) momenteel alle initiatieven om de Achterste Keiheuvel om te vormen naar landduin (…). Uit de plannen blijkt (…) dat er op 10 verschillende locaties (en meer dan 40 percelen)
op de Achterste Keiheuvel, te midden van de zones voor verblijfsrecreatie, bomen worden gekapt en dat de bovenste laag van de bodem wordt afgegraven.
Deze werkzaamheden hebben een drastische verandering van de omgeving tot gevolg. Verzoekende partij heeft zijn eigendommen gekocht om van het omliggende bos te genieten, en niet om te worden omgeven door een zandvlakte.
Dit hypothekeert zondermeer de ontwikkelingsperspectieven van het gebied en de toekomstperspectieven van de weekendverblijven, waaronder de eigendommen van verzoekende partij die op minder dan 300-400m gelegen zijn van de percelen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft. Uiteindelijk dreigt de eigendom van verzoekende partij aan een gedwongen onteigening te worden onderworpen.
Uit het bovenstaande blijkt dat de verzoekende partij concrete en overtuigende feitelijke gegevens aanbrengt die aantonen dat de zaak dermate spoedeisend is zodat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verantwoord is".
VII-39.178-10/14
6. De verwerende partij spreekt tegen dat als gevolg van de bestreden besluiten de passende beoordeling die zou moeten worden gemaakt veel strenger zou zijn geworden.
Voorts stelt zij het volgende :
"9. De verzoekende partij toont niet aan waaruit het concrete dreigende nadeel bestaat dat zou voortkomen uit de inwerkingtreding van de bestreden beslissingen. Een louter theoretisch en abstract nadeel legitimeert de urgentie niet.
Bovendien heeft de verzoekende partij geen recht op de onveranderbaarheid van de omgeving. Zelfs als de bestreden beslissingen zijn rechtspositie zouden beïnvloeden, moet verzoekende partij nog aantonen op welke wijze dit onwettig zou zijn. Verzoekende partij haalt echter geen ernstige middelen aan in zijn verzoek tot vernietigverklaring van 25 juli 2014.
10. De bekommernis van verzoekende partij dat zijn eigendom zal onteigend worden en dat hij straks zal gedwongen worden te vertoeven in een minder bosrijke omgeving omdat men de natuurlijke habitat (zijnde landduin)
herstelt, is louter speculatief en geenszins bewezen.
De initiatieven van het Agentschap van Natuur en Bos om, op de percelen die hun eigendom zijn, bomen te kappen, kadert in het Europese Life-Project 'Keiheuvel - De Most'. Dit project staat los van de bestreden besluiten. Noch binnen het Life-Project, noch in het raam van de verdere uitwerking van de bestreden besluiten werden er op dit ogenblik stappen gezet richting gedwongen onteigening. Verzoekende partij doet hier aan stemmingsmakerij.
Hij kan de spoedeisendheid van zijn verzoek tot schorsing van de bestreden beslissingen niet steunen op handelingen die gesteld worden door het Agentschap van Natuur en Bos op hun eigen gronden in het raam van een (ander) Europees project".
Beoordeling
7. In het kader van een administratief kort geding komt het aan de verzoekende partij toe om aan de hand van concrete feiten te overtuigen van de urgentie van de zaak. Zij moet niet alleen aannemelijk maken dat zij een nadeel lijdt, zij moet ook uiteenzetten waarom daaraan dringend moet worden verholpen.
De ingeroepen urgentie mag geen hypothetisch karakter vertonen.
VII-39.178-11/14
Verzoeker licht niet concreet toe hoe de criteria voor een passende beoordeling, die golden voor de inwerkingtreding van het eerste bestreden besluit dermate verschillen van de thans te hanteren criteria dat de mogelijkheid dat deze vergunningen zouden worden verleend "drastisch" is afgenomen.
Uit verzoekers uiteenzetting blijkt evenmin dat het verlenen van de door het Agentschap voor Natuur en Bos gevraagde vergunningen, voor het omvormen van een aantal percelen in de omgeving van bos naar landduin, afhankelijk zou zijn van de blijvende tenuitvoerlegging van het eerste bestreden besluit, of zelfs dat de kans dat deze vergunningen zouden worden verleend beduidend kleiner zou zijn als de tenuitvoerlegging van het eerste bestreden besluit zou worden geschorst.
Bovendien heeft verzoeker de twee eigendommen gekocht respectievelijk bijna drie en bijna zeven jaar nadat het gebied reeds als speciale beschermingszone moest worden beschouwd voor de toepassing van onder meer artikel 36ter, §§ 3 tot 6, van het natuurbehouddecreet. De beperkingen die daaruit kunnen volgen voor het gebruik van die eigendommen vormen in eerste instantie een risico dat verzoeker vrijwillig op zich heeft genomen, en hij toont niet aan dat de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten tot bijkomende beperkingen heeft geleid die alle redelijke verwachtingen te buiten gaan.
Het gebied moet reeds sinds 10 september 2002 als speciale beschermingszone worden beschouwd voor de toepassing van onder meer artikel 36ter, §§ 3 tot 6, van het natuurbehouddecreet. Zoals verzoeker zelf aangeeft en zoals de verwerende partij benadrukt, hebben de bestreden besluiten wat dat betreft niets veranderd. Verzoeker meent blijkbaar dat als het eerste bestreden besluit door de Raad van State zou worden vernietigd, de oppervlaktedoelstellingen voor de habitattypes 2310 en é0 voor het hele Vlaamse Gewest mogelijk niet langer zouden worden bereikt - een hypothese die hij echter niet concreet staaft - en dat hij daarom ook belang heeft bij
VII-39.178-12/14
nietigverklaring van de zeventien andere besluiten van 23 april 2014 die gebieden betreffen waar deze habitattypes voorkomen. Hij licht echter niet toe waarin dat belang dan wel bestaat. Als het eerste bestreden besluit zou worden vernietigd, en als daardoor de oppervlaktedoelstellingen niet meer zouden worden gehaald, zou het aan de verwerende partij toekomen na te gaan hoe daaraan zou kunnen worden verholpen. Er valt niet in te zien waarom de schorsing van deze zeventien andere besluiten noodzakelijk zou zijn om te voorkomen dat verzoeker zou terechtkomen in een situatie met onherroepelijk schadelijke gevolgen.
Het eerste bestreden besluit op zich betreft een speciale beschermingszone met een totale oppervlakte van 4.280 hectare, bestaande uit zeven niet aaneengesloten deelgebieden, die verspreid liggen over het grondgebied van tien gemeenten, over een lengte van meer dan 30 kilometer en een breedte van meer dan 10 kilometer. Verzoeker geeft niet aan waarom de voor deze hele beschermingszone vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen relevant zouden zijn voor de beoordeling van de twee hangende vergunningsaanvragen die hem rechtstreeks betreffen, en voor de vergunningsaanvragen die werden ingediend door het Agentschap voor Natuur en Bos. Evenmin geeft hij enige indicatie van wat volgens hem de minimale omvang is van het gebied waarvoor de tenuitvoerlegging van het eerste bestreden besluit zou moeten worden geschorst om te voorkomen dat de door hem gevreesde onherroepelijk nadelige gevolgen zich zouden realiseren. Er kan niet zonder meer worden aangenomen dat het voorkomen van de mogelijke nadelige gevolgen voor verzoeker de schorsing van het integrale eerste bestreden besluit kan verantwoorden.
Verzoeker toont niet aan dat de vordering spoedeisend is. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, zonder dat het nodig is de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid te beoordelen.
VII-39.178-13/14
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig april tweeduizend vijftien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.178-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.231.063