ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.374 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IADe vordering, ingesteld op 1 maart 2012, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone Regio Puyenbroeck van 13 februari 2012 waarbij Koen Eeckhaut bij ordemaatregel voorlopig wordt geschorst van 14 februari 2012 tot en met 30 april 2012, met inhouding van 25 % van zijn brutowedde.
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.374 · Conseil d'État: “Overwegende dat het onderwerp van een beroep tot nietigverklaring kan worden uitgebreid, zelfs ambtshalve, tot de handelingen die er het logische en noodzakelijke gevolg van zijn, zoals de definitieve benoemingen die volgen op toelatingen tot de proeftijd; dat op een bestreden besluit steunende nagekomen handelingen die niet het logische en noodzakelijke gevolg van dat besluit zijn, eveneens nietig kunnen worden verklaard, in welk geval de rechtszekerheid vereist dat ze aangevochten worden binnen de termijn die gesteld is om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, hetzij met een verzoekschrift tot nietigverklaring, hetzij met een processtuk dat regelmatig is ingediend binnen die termijn” (vertaling).
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 219.374 van 16 mei 2012
in de zaak A. 203.858/IX-7562
In zake: Koen EECKHAUT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Goossens kantoor houdend te 3390 Tielt-Winge Kraasbeekstraat 41
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de LOKALE POLITIEZONE REGIO PUYENBROECK
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 1 maart 2012, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone Regio Puyenbroeck van 13 februari 2012 waarbij Koen Eeckhaut bij ordemaatregel voorlopig wordt geschorst van 14 februari 2012 tot en met 30 april 2012, met inhouding van 25 % van zijn brutowedde.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.
IX-7562-1/10
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei 2012.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Wim Goossens, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoeker is bij koninklijk besluit van 30 november 2001
aangesteld tot korpschef van de lokale politiezone Regio Puyenbroeck, die de gemeenten Lochristi, Moerbeke, Wachtebeke en Zelzate omvat. Verzoekers mandaat van korpschef werd laatst bij koninklijk besluit van 12 september 2011
met ingang van 21 januari 2012 voor vijf jaar hernieuwd.
3.2. Op 19 september 2011 beslist de politieraad van de voornoemde politiezone dat een opdracht zal worden gegund voor “de renting van drie voertuigen, zijnde een voertuig type personenwagen, een voertuig voor meerdere doeleinden (monovolume) en een politievoertuig type break”. De politieraad beslist dat de opdracht zal worden gegund door middel van een algemene offerteaanvraag. Hij keurt tevens het bestek goed. De opdracht is op 11 juli 2011
bekendgemaakt.
IX-7562-2/10
3.3. Reeds op 26 juli 2011 heeft de verzoeker contact opgenomen met één van de mogelijke inschrijvers, CIAC Fleet, een onderneming die in het verleden reeds meermaals met succes heeft ingeschreven voor gelijkaardige opdrachten van de verwerende partij.
In verzoekers e-mailbericht aan CIAC Fleet is het volgende vermeld:
“Onlangs ontving u ons ‘lastenboek voor opdracht van leveringen nr. BS/5416/03/2011 VAN 06/07/2011’.
In dit dossier is er sprake van een derde voertuig, meer bepaald PERCEEL 3: 1 POLITIEVOERTUIG MEERDERE DOELEINDEN TYPE
BREAK.
De kans bestaat dat dit niet doorgaat en ik opteer voor een nieuw voertuig voor mezelf. Ik had graag vernomen of u enerzijds volvo’s in uw gamma heeft en anderzijds wat de configuratie hieronder vermeld maandelijks zou kosten.
Indien dit binnen ons budget zou passen zouden wij eind augustus voor dit voertuig opteren en er opnieuw de markt mee bevragen.
Volvo XC60 D3 (163Pk), manuele zesversnellingsbak summum, exterieurkleur 481 Cosmic White metallic, Xenium Pack XC60.
(6 jaar leasing 150 000 Km. Mocht dit echter niet mogelijk zijn: 5 jaar leasing en 125 000 Km)”.
3.4. Op 27 september 2011 wordt door politiecommissaris P. Van De Voorde een gunningsverslag opgesteld op basis van de ingediende offertes. Dit gunningsverslag wordt betekend aan de niet in aanmerking genomen inschrijvers.
3.5. Op 17 oktober 2011 beslist de politieraad op grond van het gunningsverslag om het perceel 2 niet te gunnen en de percelen 1 en 3 te gunnen aan CIAC Fleet. De percelen 1 en 3 betreffen respectievelijk een Opel Astra Essentia en een Opel Astra Sport. Beide contracten hebben een looptijd van 60 maanden of 100.000 km, overeenkomstig de voorwaarden van het bestek. De maandelijkse huurprijs voor de wagen onder perceel 1 bedraagt 577,27 euro. De maandelijkse huurprijs voor de wagen onder perceel 3 bedraagt 703,84 euro.
3.6. Op 18 oktober 2011 wordt de gunning van de percelen 1 en 3
betekend aan CIAC Fleet. Het gunningsverslag is bijgevoegd.
IX-7562-3/10
3.7. De verwerende partij geeft in haar nota voorts het hierna volgende relaas, dat ter terechtzitting niet is tegengesproken door de verzoeker.
De verzoeker heeft noch aan het politiecollege, noch aan de politieraad kennis gegeven van enige gewijzigde intentie met betrekking tot de huur van de gegunde wagens. Slechts na de officiële beslissing van de politieraad blijkt dat de verzoeker CIAC Fleet heeft gecontacteerd met betrekking tot de levering van een ander voertuig, met name een Volvo XC60 D3.
Politiecommissaris P. Van De Voorde heeft hieromtrent reeds op 27 september 2011 een vertrouwelijk schrijven gericht aan de zonesecretaris nadat hem een offerte vanwege CIAC Fleet had bereikt voor een Volvo XC60 D3. Op 4 oktober 2011 heeft de verzoeker een contract ondertekend met CIAC Fleet voor de huur van een Volvo XC60 D3 voor een periode van 72 maanden of 150.000 km. De maandelijkse huurprijs bedraagt 864,48 euro. Politiecommissaris P. Van De Voorde heeft geweigerd het contract te ondertekenen wegens strijdigheid met de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten. Op 31 januari 2012 wordt aan de voorzitter van het politiecollege gemeld dat het kwestieuze voertuig door de verzoeker werd afgehaald. Vervolgens vraagt de voorzitter, samen met de leden van het managementteam, de verzoeker om uitleg.
3.8. Op 1 februari 2012 pleegt de voorzitter van het politiecollege, samen met de adjunct-korpschef, overleg met de procureur des Konings te Gent.
Op 7 februari 2012 deelt de procureur des Konings aan de voorzitter van het politiecollege mede dat er ten laste van de verzoeker een opsporingsonderzoek is opgestart.
3.9. Op 8 februari 2012 richt de verzoeker een e-mailbericht aan de zonesecretaris en de leden van het politiecollege met informatie en zijn zienswijze op de problematiek die aan de orde is. Hij heeft ondertussen meegedeeld dat het contract met CIAC Fleet voor de huur van een Volvo XC60 D3 is ontbonden en dat
IX-7562-4/10
hij persoonlijk zal instaan voor de schadevergoeding die CIAC Fleet zal vorderen voor de verbreking van de overeenkomst.
3.10. Op 9 februari 2012 beslist het politiecollege dat de verzoeker zal worden gehoord over een voorstel om hem voorlopig te schorsen “in het kader van een opsporingsonderzoek” voor een termijn van vier maanden met inhouding van 25 % van zijn brutowedde.
3.11. Op 13 februari 2012 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door het politiecollege gehoord. De verzoeker legt een verweerschrift neer.
3.12. Diezelfde dag nog beslist het politiecollege om de verzoeker bij ordemaatregel voorlopig te schorsen van 14 februari 2012 tot en met 30 april 2012, met inhouding van 25 % van zijn brutowedde.
Dit is de bestreden beslissing.
3.13. Op 28 april 2012, na de verzoeker en zijn raadsman opnieuw te hebben gehoord, beslist het politiecollege om verzoekers voorlopige schorsing met vier maanden te verlengen met ingang van 1 mei 2012 en met inhouding van 15 %
van zijn brutowedde.
IV. Verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van de vordering
4. Met een op 3 mei 2012 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift vraagt de verzoeker de uitbreiding van het voorwerp van zijn verzoekschrift tot de beslissing van het politiecollege van 28 april 2012 waarbij zijn voorlopige schorsing wordt verlengd met vier maanden met ingang van 1 mei 2012 en met inhouding van 15 % van zijn brutowedde.
IX-7562-5/10
De verzoeker argumenteert dat de beslissing van het politiecollege van 13 februari 2012 betreffende zijn eerste voorlopige schorsing is vervangen door de voormelde beslissing van het politiecollege van 28 april 2012, zodat het beroep gericht tegen de eerstgenoemde beslissing geacht moet worden mede gericht te zijn tegen de laatstgenoemde beslissing. Voorts is de voormelde beslissing van het politiecollege van 28 april 2012 volgens de verzoeker het logische gevolg van de eerste voorlopige schorsing, aangezien ze evenzeer gesteund is op het lopende opsporingsonderzoek. Ten slotte zijn de beslissingen van het politiecollege van 13 februari 2012 en 28 april 2012 volgens de verzoeker “onlosmakelijk verbonden” omdat een verlenging van een voorlopige schorsing niet kan gebeuren zonder een eerste voorlopige schorsing. De verzoeker besluit hieruit dat de beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing haar rechtsgrond vindt in de initiële beslissing tot voorlopige schorsing.
Beoordeling
5. In het arrest Muspratt, nr. 69.884 van 28 november 1997, heeft de Raad van State de voorwaarden waaronder het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring tijdens de procedure kan worden uitgebreid, als volgt omschreven:
“Overwegende dat het onderwerp van een beroep tot nietigverklaring kan worden uitgebreid, zelfs ambtshalve, tot de handelingen die er het logische en noodzakelijke gevolg van zijn, zoals de definitieve benoemingen die volgen op toelatingen tot de proeftijd; dat op een bestreden besluit steunende nagekomen handelingen die niet het logische en noodzakelijke gevolg van dat besluit zijn, eveneens nietig kunnen worden verklaard, in welk geval de rechtszekerheid vereist dat ze aangevochten worden binnen de termijn die gesteld is om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, hetzij met een verzoekschrift tot nietigverklaring, hetzij met een processtuk dat regelmatig is ingediend binnen die termijn” (vertaling).
De Raad van State ziet geen reden om wat de voorliggende vordering betreft anders te oordelen.
IX-7562-6/10
6. In dit geval moet worden vastgesteld dat de beslissing van het politiecollege van 28 april 2012 om de voorlopige schorsing van de verzoeker te verlengen geenszins het “logische en noodzakelijke” gevolg is van de beslissing van ditzelfde college van 13 februari 2012 om de verzoeker voorlopig te schorsen.
Integendeel is ze het resultaat van een op zich staande, nieuwe beoordeling van het vervuld zijn van de voorwaarden die door de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten zijn bepaald voor het opleggen van een voorlopige schorsing. Om dezelfde reden kan ook niet worden aangenomen dat de beslissing om de voorlopige schorsing te verlengen, “gesteund” is op de initiële beslissing tot het opleggen van een voorlopige schorsing of dat ze - zoals de verzoeker stelt - er “onlosmakelijk” mee verbonden is of er haar rechtsgrond in vindt.
De beslissing van het politiecollege van 28 april 2012 heeft de beslissing van ditzelfde college van 13 februari 2012 ook niet vervangen. De laatstgenoemde beslissing heeft uitwerking gehad tot 30 april 2012, de eerstgenoemde beslissing heeft uitwerking gekregen vanaf 1 mei 2012. Het betreft bijgevolg twee van elkaar te onderscheiden beslissingen.
7. Verzoekers vraag tot uitbreiding van het voorwerp van zijn verzoekschrift wordt dan ook niet ingewilligd.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
8. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op. Zij betoogt dat een schorsingsarrest slechts uitwerking heeft voor de toekomst en een nadeel dat door het personeelslid reeds volledig is ondergaan, niet meer kan goedmaken. De schorsing van de tenuitvoerlegging door de Raad van State kan aldus geen enkel effect meer hebben ten aanzien van de beslissing tot voorlopige schorsing die volledige uitwerking heeft gekregen. Te dezen wijst de verwerende partij erop dat indien de Raad van State zich niet over de voorliggende vordering kan uitspreken vóór 30 april 2012,
IX-7562-7/10
de verzoeker niet meer over het rechtens vereiste actuele belang bij zijn vordering beschikt.
Beoordeling
9. De bestreden beslissing legt aan de verzoeker bij ordemaatregel een voorlopige schorsing op met ingang van 14 februari 2012 tot en met 30 april 2012, met inhouding van 25 % van zijn brutowedde. De opgelegde voorlopige schorsing met wedde-inhouding is derhalve geëindigd op 30 april 2012.
10. Een schorsingsarrest heeft slechts uitwerking voor de toekomst en kan een nadeel dat door de verzoeker reeds volledig werd ondergaan niet meer goedmaken. Vanuit dat oogpunt kan een schorsing van de bestreden beslissing voor de verzoeker alleen dan nog nuttig zijn wanneer blijkt dat het oorspronkelijke nadeel, waarvan de ernst en het moeilijk te herstellen karakter zouden zijn aangetoond, op het ogenblik van de uitspraak over de vordering tot schorsing nog voortduurt. In zoverre hangt de exceptie samen met één van de grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing, namelijk deze betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
11. De verzoeker voert met betrekking tot de voormelde grondvoorwaarde aan dat de verdere uitvoering van de bestreden beslissing zou impliceren dat hij op professioneel en persoonlijk vlak, zowel intern (eigen politiekorps, samenwerkingsverbanden in zonaal, arrondissementeel en nationaal verband) als extern (bevolking, gemeenteraden, werkgroepen buiten de politie, familie- en vriendenkring) ernstige reputatieschade oploopt. Hij zou ook niet mogen gaan werken, terwijl hij voor tal van professionele uitdagingen staat (het nieuwe zonale veiligheidsplan, de evaluatie van het huidige zonale veiligheidsplan, evaluatiedossiers en planningsgesprekken). Hij zou ook niet aanwezig kunnen zijn bij de besluitvorming van de politieraad, het politiecollege en het managementteam. Hij zou vervreemden van zijn manschappen en van de lopende dossiers, onder meer het aanslepende gebouwendossier dat zijn
IX-7562-8/10
ontknoping nadert en waarvoor zijn aanwezigheid in de gebouwencommissie in de zeer nabije toekomst essentieel is als opsteller en expert van het eisenprogramma.
Ten slotte geldt dat hoe langer hij geschorst is, hoe meer zijn gezag ondermijnd wordt.
12. Daargelaten of het aldus aangevoerde nadeel dat de verzoeker ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, als ernstig en moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd, moet worden vastgesteld dat het volledig samenvalt met de duur van de eerste voorlopige schorsing die verstreken is. De verzoeker toont helemaal niet aan dat de eerste voorlopige schorsing hem ook ná het verstrijken van haar duur nog een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. Voor zover de verzoeker de opgesomde nadelen thans nog ondergaat, dient dit te worden toegeschreven aan de verlenging van de voorlopige schorsing waartoe het politiecollege op 28 april 2012
heeft beslist. Zoals hiervóór onder randnummer 6 werd aangegeven, steunt deze verlenging op een op zich staande beoordeling van de voorwaarden van de voorlopige schorsing en moet ze worden onderscheiden van de initiële beslissing tot voorlopige schorsing. Ze kan overigens afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing - desgevallend bij uiterst dringende noodzakelijkheid - worden bestreden.
13. Nu de bestreden beslissing volledige uitwerking heeft gehad en de verzoeker niet aantoont dat hij na het verstrijken van de duur van de door de bestreden beslissing opgelegde voorlopige schorsing nog een nadeel ondergaat dat ernstig en moeilijk te herstellen is en waaraan een schorsing van de bestreden beslissing alsnog zou kunnen verhelpen, moet worden besloten dat hij geen belang meer heeft bij zijn vordering tot schorsing.
De exceptie is gegrond.
IX-7562-9/10
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 mei 2012, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Bert Thys
IX-7562-10/10
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.374