Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.026 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.026 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request against gambling commission's license denial due to lack of serious grounds.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.026
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the Gambling Commission's refusal to grant a Class IV gambling license. The applicant argued that the Commission failed to act within a reasonable time and violated the principle of careful administration, yet the court found no merit in these claims. Consequently, the court ruled that the conditions for granting an urgent suspension under the Council of State Act were not met, as the applicant provided no serious grounds to justify halting the enforcement of the decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17 §§ 1 and 2 of the Council of State Act; An urgent suspension request is only granted if the applicant demonstrates serious grounds justifying the suspension and satisfies the cumulative conditions of the Act.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request gambling license refusal reasonable time requirement principle of careful administration Council of State Act enforcement suspension serious grounds requirement jeux de hasard ou d'argent

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 76/1 of the Gambling Act
Article 17 §§ 1 and 2 of the Council of State Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 218.026 van 16 februari 2012

in de zaak A. 203.496/VII-38.394.

In zake : de BVBA SEHRAZAT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tessa Van Den Bossche kantoor houdend te 2018 Antwerpen Van Schoonbekestraat 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie 2. de KANSSPELCOMMISSIE BIJ DE FEDERALE

OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Jonas Riemslagh kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 1 februari 2012, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van "de beslissing van de Kansspelcommissie d.d. 11.01.2012, dossier FB 119278 aan verzoekster ter kennis gebracht op 25.01.2012".

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend.

VII-38.394-1/8

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 februari 2012.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Tessa Van Den Bossche, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jonas Riemslagh, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij dient op 23 februari 2011 een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning F2 voor de exploitatie van een vaste kansspelinrichting klasse IV, gelegen aan de Bredabaan 380A te Merksem.

3.2. Met een aangetekende brief van 6 december 2011 stelt de Kansspelcommissie de verzoekende partij in kennis van "twee problemen" die kunnen leiden tot het weigeren van de vergunning.

3.3. De verzoekende partij en haar raadsman worden op 11 januari 2012 gehoord door de Kansspelcommissie. Dezelfde dag neemt de Kansspelcommissie een beslissing waarbij de gevraagde vergunning klasse F2

wordt geweigerd op grond van het motief "dat het slechts gedeeltelijk en het laattijdig indienen en betalen van de verschuldigde belasting op de aangenomen weddenschappen duidelijk aantoont dat de aanvrager zich niet gedraagt op een

VII-38.394-2/8

wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie".

IV. Aanduiding van de tegenpartij

4. De eerste verwerende partij vraagt buiten de zaak te worden gesteld omdat de bestreden beslissing niet genomen is door de minister van Justitie, noch door een dienst die rechtstreeks onder zijn bevoegdheid valt, maar door de Kansspelcommissie die over een substantiële mate van autonomie beschikt.

5. De tweede verwerende partij komt voor een orgaan van de Belgische Staat te zijn en als zodanig onder de Federale Overheidsdienst Justitie te ressorteren. Zij heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid. In die omstandigheden wordt op het eerste gezicht de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, als rechtspersoon terecht aangewezen om als verwerende partij op te treden in een beroep dat gericht is tegen een bestuurshandeling die van één van zijn organen uitgaat.

V. Ontvankelijkheid van de vordering

6. De verwerende partijen betwisten de ontvankelijkheid van de vordering.

7. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.

VII-38.394-3/8

VI. Schorsingsvoorwaarden

8. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

9. In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 15, 76 en volgende van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna : kansspelwet), de beginselen van fair-play, de rechten van verdediging, de hoorplicht en de onpartijdigheidsplicht.

In de toelichting bij het middel klaagt de verzoekende partij verscheidene onregelmatigheden aan die zouden zijn begaan bij de sluiting van haar kansspelinrichtingen op 24 mei 2011. Zo stelt zij onder meer geen afschrift te hebben ontvangen van het proces-verbaal nr. AN.58.RD.004107/2011. Ook zou de verzoekende partij geen kennis hebben van een beslissing waaruit blijkt dat zij haar wedkantoren niet meer mocht exploiteren. Tot slot betwist zij "ten stelligste"

dat zij haar fiscale verplichtingen niet is nagekomen.

VII-38.394-4/8

Beoordeling

10. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de vergunning wordt geweigerd omdat de Kansspelcommissie van oordeel is dat de verzoekende partij haar fiscale verplichtingen niet is nagekomen, zoals wordt voorgeschreven door artikel 76/1 van de kansspelwet. Hieruit leidt zij af dat de verzoekende partij niet voldoet aan één van de voorwaarden bepaald in artikel 43/5 van de kansspelwet, namelijk "zich (…) gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie".

De onregelmatigheden die bij de sluiting van het wedkantoor van de verzoekende partij zouden zijn begaan, lijken dan ook op het eerste gezicht niet relevant voor de beoordeling van de wettigheid van de thans bestreden beslissing.

Ten aanzien van het decisieve weigeringsmotief beperkt de verzoekende partij er zich toe te stellen dat zij de laattijdigheid van haar fiscale aangiftes en betalingen "ten stelligste" betwist. De bevindingen van de Kansspelcommissie worden echter niet met concrete gegevens weerlegd. De verzoekende partij toont derhalve niet aan dat de bestreden beslissing gestoeld is op onjuiste motieven.

Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

11. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht.

VII-38.394-5/8

Zij stelt dat uit de bestreden beslissing niet blijkt waarom de inrichting gedurende de maanden juni en juli 2011 diende gesloten te blijven.

Bovendien zou zij zijn misleid doordat bij de vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State een foutief adres wordt vermeld, met name Wetenschapsstraat 30 te 1000 Brussel in de plaats van Wetenschapsstraat 33

te 1040 Brussel.

Beoordeling

12. De bestreden beslissing bevat een omstandige opgave van de redenen waarom de gevraagde vergunning wordt geweigerd. Die motivering wordt in het middel niet inhoudelijk bekritiseerd. Zoals reeds werd aangegeven bij de beoordeling van het eerste middel, kunnen die motieven de weigering van de vergunning afdoende verantwoorden. De perikelen omtrent de tijdelijke sluiting van de vestiging, vormden voor de Kansspelcommissie geen cruciaal element voor de beoordeling van de vergunningsaanvraag.

13. De verzoekende partij heeft haar verzoekschrift verstuurd naar het juiste adres van de Raad van State. Van enige misleiding door de aangeklaagde materiële vergissing, is dus geen sprake. De verzoekende partij werd kennelijk niet geschaad in haar procesbelangen.

Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

14. In het derde middel wordt gesteld dat de redelijke beslissingstermijn niet werd gerespecteerd, doordat de Kansspelcommissie pas acht maanden na de sluiting van het wedkantoor uitspraak heeft gedaan over de vergunningsaanvraag klasse F2.

VII-38.394-6/8

Beoordeling

15. Artikel 76/1 van de kansspelwet voorziet in een overgangsmaatregel ten einde de exploitatie van bestaande kansspelinrichtingen klasse IV niet in het gedrang te brengen in afwachting van het verkrijgen van de vereiste vergunning. Deze mogen, mits naleving van de in de wet gestelde verplichtingen, hun activiteiten immers voortzetten tot op het ogenblik dat de Kansspelcommissie definitief uitspraak heeft gedaan over de ingediende vergunningsaanvraag. Het feit dat de exploitant in gebreke blijft om aan de gestelde wettelijke voorwaarden te voldoen, en hij dientengevolge niet kan genieten van de gunstige overgangsregeling, brengt niet mee dat de Kansspelcommissie prioriteit moet geven aan de behandeling van zijn vergunningsaanvraag. Daarenboven wordt vastgesteld dat tussen het indienen van de aanvraag en het nemen van de thans bestreden beslissing geen volledig jaar is verstreken en dat tijdens die periode het aanvraagdossier actief werd beheerd. De redelijke termijnvereiste werd niet miskend.

Het derde middel is niet ernstig.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

16. In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt, onder verwijzing naar de vorige middelen, dat de houding van de Kansspelcommissie onmogelijk als een daad van zorgvuldig bestuur kan worden aangemerkt.

VII-38.394-7/8

Beoordeling

17. Het vierde middel stoelt louter op het beweerd ernstig karakter van de drie vorige middelen. Aangezien die middelen niet ernstig werden bevonden, moet ook het vierde middel als niet ernstig worden afgewezen.

18. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij geen ernstige middelen aanvoert die de schorsing van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden.

Er is dan ook niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend en twaalf, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Peter Sourbron

VII-38.394-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.026