Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.555 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.555 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against ID card refusal based on a 1992 fine, ruling discretion is non-existent.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.555
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Kurt Schuerwegen's appeal against the State's refusal to issue his security guard identification card. Although the applicant argued the old conviction should be disregarded, the court found the refusal mandatory under the Security Act due to a 1992 fine for carrying prohibited weapons. The court held that the administration had no discretion to ignore this legal bar and was not required to interview the applicant before making the decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 6, paragraph 1, item 1 of the Security Act of 10 April 1990; The refusal of an identification card for security activities is mandatory when a conviction constitutes a legal obstacle, leaving the administration no room for discretionary assessment or prior hearing.

Mots-clés

Généré par l'IA
security guard identification card mandatory refusal criteria no discretionary power prior hearing requirement conviction as legal obstacle renouvellement de l'autorisation retrait de permis de conduire pièces de légitimation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 6, paragraph 1, item 1 of the Security Act of 10 April 1990
Article 595, second paragraph of the Code of Criminal Procedure
Article 93 of the Decree of the Regent of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 217.555 van 26 januari 2012

in de zaak A. 199.336/VII-38.304.

In zake : Kurt SCHUERWEGEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mounir Souidi kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britselei 94, bus 32

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 25 februari 2011, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 januari 2011 waarbij aan Kurt Schuerwegen de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgesteld.

VII-38.304-1/9

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2012.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Sebastian Martin, die loco advocaat Mounir Souidi verschijnt voor de verzoeker, en attaché Ellen Stook, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Aan de verzoeker werd voor de periode van 12 juli 2004 tot en met 12 juli 2009 een identificatiekaart toegekend voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten bij de vergunde bewakingsonderneming BVBA Blade. Bij de aanvraag van die identificatiekaart was een getuigschrift van goed zedelijk gedrag gevoegd waarin vermeld was dat de verzoeker geen veroordelingen heeft opgelopen.

3.2. Op 2 maart 2010 dient de BVBA Blade opnieuw een aanvraag in om voor de verzoeker een identificatiekaart te verkrijgen. Het uittreksel uit het strafregister dat bij de aanvraag is gevoegd, vermeldt dat de verzoeker geen veroordelingen heeft opgelopen.

3.3. Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag wordt overeenkomstig

VII-38.304-2/9

de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna : bewakingswet) een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden ingesteld.

3.4. Het verslag van 3 september 2010 over het veiligheidsonderzoek maakt onder meer melding van een vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 15 april 1992 waarbij de verzoeker veroordeeld werd tot een geldboete van 100 frank, verhoogd met de opdeciemen, wegens het dragen van verboden wapens.

3.5. Op 26 januari 2011 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de thans bestreden beslissing. De minister stelt vast dat de verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 6, eerste lid, 1°, van de bewakingswet, zodat hem geen identificatiekaart kan worden toegekend. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd :

"Een identificatiekaart kan pas afgeleverd worden nadat de administratie heeft vastgesteld dat de betrokkene voldoet aan alle wettelijke voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de beoogde activiteiten.

De identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd indien de betrokkene niet voldoet aan één of meerdere objectieve uitoefeningsvoorwaarden, zoals bepaald in artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private veiligheid, voor wat betreft het uitvoerend personeel van een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst. (artikel 17 van het koninklijk besluit van 26 september 2005

betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden)

Artikel 6, eerste lid, 1° van de wet van 10 april 1990 bepaalt eveneens dat personen die, voor een bewakingsonderneming, een interne bewakingsdienst of een opleidingsinstelling, een uitvoerende functie uitoefenen moeten voldoen aan de volgende voorwaarde:

'niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, tot een gevangenisstraf of een andere straf wegens diefstal, heling, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, opzettelijke slagen en verwondingen, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, of misdrijven, bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek, bij artikel 227 van het Strafwetboek, bij artikel 259bis van het Strafwetboek, bij de artikelen 280

en 281 van het Strafwetboek, bij de artikelen 323, 324 en 324ter van het Strafwetboek, bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en

VII-38.304-3/9

antiseptica en haar uitvoeringsbesluiten, de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en haar uitvoeringsbesluiten, de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, of de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden.

(…)'

Bij onderzoek van uw dossier is gebleken dat de Correctionele Rechtbank van Mechelen, op datum van 15 april 1992, een vonnis heeft uitgesproken waarbij u veroordeeld bent tot een geldboete van 100 bef. op basis van de feiten van verboden wapendracht.

Bijgevolg voldoet u niet aan de uitoefeningsvoorwaarden bepaald door artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid zodat geen enkele identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten kan aan u afgeleverd worden.

Het is u verboden bewakingsactiviteiten uit te oefenen".

IV. Onderzoek van het enig middel

Standpunt van de partijen

4.1. In een enig middel roept de verzoeker de schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur :

"Doordat, de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing stelt dat verzoeker, gelet op de veroordelingen die hij opliep, niet voldoet aan de uitoefeningsvoorwaarden bepaald door artikel 6, eerste lid, 1° van de Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid zodat geen enkele identificatiekaart kan worden afgeleverd;

Terwijl, de beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken gemotiveerd moet zijn, zowel in rechte en in feite, en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten worden weergegeven, en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van die aard om de beslissing te dragen. Zij moet afdoende zijn.

Zodat, de Minister van Binnenlandse zaken zijn beslissing heeft genomen op basis van het enkele en loutere feit dat verzoeker in het verleden veroordeeld werd;

Dat verzoeker echter de mening is toegedaan dat deze veroordelingen geen invloed hebben op zijn geschiktheid als bewakingsagent;

Dat verzoeker van oordeel is dat een behoorlijk bestuur van de overheidsdiensten veronderstelt dat er in casu een effectieve controle gebeurt naar de werkwilligheid, betrouwbaarheid, competenties en ervaring van verzoeker;

Dat verzoeker meent dat er in zijn geval een uitzondering dient te worden

VII-38.304-4/9

toegestaan en hem alsnog de identificatiekaart kan worden toegekend;

Verzoeker is bovendien van oordeel dat hij een hoorrecht heeft en dat de Minister hem, teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen, eerst bij verzoeker had kunnen informeren naar zijn intenties, verleden en toekomstperspectieven;

Dat bij gebreke hieraan de motivering van de bestreden beslissing hierdoor als onvoldoende dient te worden beschouwd om de beslissing te wettigen".

4.2. De verwerende partij antwoordt dat in de bestreden beslissing op afdoende wijze de feitelijke en juridische redenen worden vermeld op grond waarvan werd beslist dat de verzoeker niet in de bewakingssector kan worden tewerkgesteld, dat op grond van artikel 6, eerste lid, 1°, van de bewakingswet de toegang tot de sector van de private veiligheid moet worden ontzegd aan personen die een veroordeling wegens verboden wapendracht hebben opgelopen, dat dergelijke veroordeling een objectieve weigeringsgrond uitmaakt waarbij de minister geen beoordelingsbevoegdheid heeft en dat de verzoeker, die op 15 april 1992 door de correctionele rechtbank te Mechelen tot een geldboete werd veroordeeld wegens het dragen van verboden wapens, niet voldoet aan de voorwaarden om de functie van bewakingsagent uit te oefenen. Voorts merkt de verwerende partij op dat de verzoeker niet voorafgaand moest worden gehoord omdat de hoorplicht niet geldt wanneer de overheid over een gebonden bevoegdheid beschikt.

4.3. In zijn memorie van wederantwoord wijst de verzoeker er op dat hem voor de periode van 12 juli 2004 tot 12 juli 2009 wel een identificatiekaart werd toegekend, dat het hem dan ook verbaast dat de vraag om een nieuwe identificatiekaart leidt tot een weigering en dat het daarbij onredelijk is terug te grijpen naar de veroordeling tot een geldboete die dateert van 1992 terwijl hij intussen verschillende jaren als bewakingsagent werkzaam is geweest.

VII-38.304-5/9

Beoordeling

5. Luidens artikel 6, eerste lid, 1°, van de bewakingswet mogen bewakingsagenten "niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, tot een gevangenisstraf of een andere straf wegens diefstal, heling, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, opzettelijke slagen en verwondingen, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, of misdrijven, bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het strafwetboek, bij artikel 227 van het strafwetboek, bij artikel 259bis van het strafwetboek, bij artikel 280 van het strafwetboek, bij de artikelen 323, 324 en 324ter van het strafwetboek, bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en haar uitvoeringsbesluiten, de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en haar uitvoeringsbesluiten, de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, of de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden".

Artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden (hierna : koninklijk besluit van 26 september 2005) bepaalt dat de identificatiekaart wordt geweigerd wanneer de betrokkene niet voldoet aan één of meerdere van de in artikel 6, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° of 7°, van de bewakingswet gestelde objectieve uitoefeningsvoorwaarden.

De verzoeker is bij vonnis van 15 april 1992 van de correctionele rechtbank te Mechelen veroordeeld tot een geldboete van 100 frank, verhoogd met de opdeciemen, wegens het dragen van verboden wapens. Hij heeft voor die veroordeling geen herstel in eer en rechten gevraagd en gekregen.

VII-38.304-6/9

6. Op grond van de aangehaalde bepalingen van de bewakingswet en het koninklijk besluit van 26 september 2005 was de verwerende partij, op zicht van de veroordeling die de verzoeker heeft opgelopen, verplicht de gevraagde identificatiekaart te weigeren. De te dezen gebonden bevoegdheid tot weigering van de identificatiekaart laat het bestuur geen ruimte voor enige discretionaire beoordelingsvrijheid. Bijgevolg moest de verwerende partij niet overgaan tot een geïndividualiseerd onderzoek naar verzoekers werkwilligheid, betrouwbaarheid, competenties en ervaring.

7. Het bestuur is niet verplicht de betrokkene vooraf te horen wanneer zijn beslissingsbevoegdheid gebonden is door gegevens die, zonder nader onderzoek, voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar zijn. Te dezen heeft de verzoeker een veroordeling opgelopen die een wettelijk beletsel vormt voor het verlenen van de gevraagde identificatiekaart. De feiten zijn vaststaand doordat ze zijn vastgesteld door in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke uitspraak, waardoor ze ook niet meer vatbaar zijn voor betwisting door de verzoeker. De verwerende partij was bijgevolg niet verplicht de verzoeker te horen, alvorens een beslissing tot weigering van de identificatiekaart te nemen die gestoeld is op de dwingende vaststelling dat hij wegens de opgelopen veroordeling niet voldoet aan de door de bewakingswet gestelde voorwaarden.

8. De omstandigheid dat aan de verzoeker voor de periode van 12 juli 2004 tot en met 12 juli 2009 een identificatiekaart werd toegekend, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Bij de toekenning van die identificatiekaart heeft de verwerende partij blijkbaar enkel acht geslagen op het uittreksel uit het strafregister dat bij de aanvraag was gevoegd. Op grond van artikel 595, tweede lid, van het wetboek van strafvordering wordt een veroordeling, zoals te dezen, na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing niet meer vermeld op het uittreksel uit het strafregister dat op vraag van de betrokkene wordt uitgereikt. De draagwijdte van artikel 6, eerste lid, 1° , van de bewakingswet is niet beperkt tot de veroordelingen die op het uittreksel uit het strafregister vermeld worden. In zoverre de verzoeker

VII-38.304-7/9

het redelijkheidsbeginsel geschonden acht doordat rekening werd gehouden met een veroordeling uit 1992, wordt vastgesteld dat deze kritiek betrekking heeft op hetgeen rechtstreeks uit de dwingende bepalingen van de bewakingswet voortvloeit.

9. Het enig middel is ongegrond.

10. Het standpunt van de auditeur-verslaggever kan worden bijgevallen dat de zaak op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met korte debatten definitief kan worden beslecht.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro.

VII-38.304-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend en twaalf, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Peter Sourbron

VII-38.304-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.555