Court dismisses urgent suspension request for security regime in Belgian prison as internal order measure.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's urgent request to suspend a new individual security regime in a Belgian prison. The applicant argued the measure lacked sufficient motivation, while the state contended it was an internal security measure rather than a disciplinary punishment. The court ruled that because the measure primarily served institutional safety and order, it fell outside the scope of annulable administrative acts.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 8 of the Prison Act of 12 January 2005; Article 118 of the Prison Act of 12 January 2005: Measures taken by prison authorities for internal security and order, which are not primarily punitive in nature, do not constitute subjectively enforceable rights and are therefore not subject to annulment proceedings.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 216.787 van 9 december 2011
in de zaak A. 202.726/XIV-33.782
In zake : Goran CIRKOVIC
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Leliaert kantoor houdend te 8000 Brugge Elf-Julistraat 32
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 6 december 2011, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime dd. 01.12.2011”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december 2011 om 11.30 uur.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Shauna De Leener, die loco advocaat Stijn Leliaert verschijnt voor de verzoeker, en attaché Xaveer Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
XIV- 33.782-1/4
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoeker is sinds 17 december 2003 gedetineerd en verblijft op het ogenblik van de bestreden beslissing in de gevangenis te Brugge.
3.2. Bij beslissingen van 7, 14 en 21 november 2011 wordt de verzoeker aan een bijzondere veiligheidsmaatregel van telkens een week onderworpen. Deze maatregelen worden ten aanzien van de verzoeker niet gemotiveerd, onder verwijzing naar artikel 8 van de wet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden.
3.3. Op 28 november 2011 stelt de gevangenisdirecteur aan de directeur-
generaal van de penitentiaire administratie voor om de verzoeker in een individueel bijzonder veiligheidsregime te plaatsen.
3.4. Op 1 december 2011 beslist directeur-generaal H.M. om de verzoeker vanaf 5 december 2011 tot en met 2 februari 2012 in een individueel bijzonder veiligheidsregime te plaatsen. Dit regime houdt in dat de verzoeker wordt uitgesloten van alle gemeenschappelijke activiteiten, dat de inkomende en uitgaande briefwisseling open voorgelegd dient te worden, dat glasbezoek wordt toegestaan, dat hij enkel kan telefoneren naar de ombudsman en zijn advocaat en, één maal per week, naar zijn vrouw, dat de verzoeker bij elke beweging een onderzoek aan de kledij krijgt, dat alle gevaarlijke en scherpe voorwerpen hem worden ontnomen, dat hij overdag en tijdens de nacht geobserveerd wordt, met maximale eerbiediging van de nachtrust en dat hij verplicht in de hem toegewezen cel dient te verblijven.
Dit is de bestreden beslissing, waarin het volgende wordt gesteld:
XIV- 33.782-2/4
“Gelet op de concrete omstandigheden en gedragingen van de gedetineerde CIRKOVIC Goran, geboren op 27/02/1964 te Belgrado Die hierna vermeld worden en die toelaten te geloven dat de betrokkene een voortdurende bedreiging voor de veiligheid vormt:
Aangezien de kennisgeving van de motivering van deze beslissing de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen kunnen de redenen die aan deze beslissing ten grondslag liggen overeenkomstig artikel 8 van de Basiswet niet worden meegedeeld.
Gelet op het feit dat de controlemaatregelen en de bijzondere veiligheidsmaatregelen ontoereikend zijn gebleken:
Gelet op deze voortdurende bedreiging voor de veiligheid zijn de eerder genomen controlemaatregelen en de individuele bijzondere veiligheidsmaatregelen, genomen op 7/11, 14/11, 21/11 en 28/11/2011, ontoereikend gebleken.”.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4.1. De directeur van een strafinrichting is verantwoordelijk voor de goede werking en de goede orde in zijn inrichting. Hij kan met het oog daarop ten aanzien van wie in de gevangenis verblijft een veelheid van maatregelen treffen waarbij hij optreedt als een orgaan van het actief bestuur zodat de Raad van State principieel bevoegd is om de geschillen daaromtrent te behandelen, in zoverre bij hem niet de erkenning van een subjectief recht wordt nagestreefd.
4.2. Evenwel, zoals de Raad van State in het arrest nr. 116.899 van 11 maart 2003 inzake De Smedt heeft uiteengezet, zijn die maatregelen, in zoverre zij uitsluitend of hoofdzakelijk ingegeven zijn door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, maatregelen van inwendige orde, waartegen in principe geen annulatieberoep open staat; het is slechts anders wanneer de betrokken maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen.
4.3. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de bestreden maatregel zijn rechtsgrond vindt in artikel 118 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Die bepaling laat de directeur-
generaal van de penitentiaire administratie toe, wanneer de voorwaarden van artikel 116 van de wet vervuld zijn, aan een gedetineerde een “individueel bijzonder veiligheidsregime” op te leggen. De wet zelf verleent aldus aan de bestreden beslissing het karakter van een veiligheidsmaatregel. Dit laatste blijkt bovendien evenzeer uit de uitdrukkelijke bewoordingen (zie randnummer 3.4.) van de bestreden beslissing.
XIV- 33.782-3/4
4.4. De verzoeker betoogt in zijn verzoekschrift dat hij vermoedt dat hem en gedetineerde PREKA “iets verweten wordt”, maar toont niet aan dat de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt hem te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. De bestreden beslissing moet als een veiligheidsmaatregel worden beschouwd waarmee de goede werking van de instelling wordt verzekerd. Als maatregel van orde kan zij niet het voorwerp uitmaken van een annulatieberoep.
Dienvolgens is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet ontvankelijk.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend en elf, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Stephan De Taeye
XIV- 33.782-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.787