Belgian court allows anti-discrimination center to strike age discrimination without individual victim consent in group cases.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe court overturned the lower court's dismissal of a strike action filed by an anti-discrimination center regarding age-based job advertisements. The center argued that consent from a single identified complainant is unnecessary for group discrimination claims, citing legislative intent to protect collective interests. The court agreed, ruling that the lower court incorrectly required proof of consent from an individual who merely reported the discrimination.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 31 of the Anti-Discrimination Law; In cases of alleged group discrimination, the consent of an identified individual victim is not required to institute a strike action by an anti-discrimination center.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
Hof van Cassatie
Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 juni 2018
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180611.3
Rolnummer:
S.15.0072.N
Kamer:
3N - derde kamer
Rechtsgebied:
Overige
Invoerdatum:
2018-07-26
Raadplegingen:
153 - laatst gezien 2026-07-18 13:00
Vonnis/arrest:
ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180611.3
Fiche
Thesaurus CAS:
VORDERING IN RECHTE
Tekst van de conclusie
S.15.0072.N
Conclusie van advocaat generaal Genicot:
Situering en procedurevoorgaanden
1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de uitbater van een winkelketen gespecialiseerd in kleding en accessoires voor dames, op 12 juli 2009 op zowel de website van de VDAB als in verschillende kranten een personeelsadvertentie liet plaatsen. Voor een aantal van de in deze advertentie vermelde functies moesten kandidaat-werknemers aan welbepaalde leeftijdsvereisten voldoen. Na het lezen van desbetreffende advertentie meldde een 49-jarige man uit Kieldrecht aan de VDAB, zijn vakbond en het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (hierna het ‘Centrum' genoemd) dat hij zich als oudere werkzoekende door (de leeftijdsvereisten in) deze advertentie gediscrimineerd voelde.
2. Met verzoekschrift op tegenspraak van 10 maart 2010 gericht aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Antwerpen vorderde het Centrum in toepassing van artikel 20 van de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, hierna de Antidiscriminatiewet genoemd, te zeggen voor recht dat het personeelsbeleid van de vennootschap en de daaruit voortvloeiende advertentie voor de verschillende vacatures discriminerend is omwille van de discriminatie op basis van het beschermd criterium van de leeftijd, de staking ervan te bevelen en dit onder verbeurte van een dwangsom.
3. Het arbeidshof te Antwerpen oordeelde op 9 januari 2012 - in lijn met de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 28 september 2010 en op eensluidende conclusie van het openbaar ministerie - dat, vermits een klacht werd geformuleerd door een geïdentificeerd natuurlijk persoon, de vordering van het Centrum, zonder het bewijs te leveren van de toestemming van die persoon, niet ontvankelijk was.
4. Het cassatieberoep uitgaande van het Interfederaal Centrum voor Gelijke Kansen en Bestrijding van Discriminatie en Racisme, rechtsopvolger van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding,(1)-(2) maakt het voorwerp uit van huidige procedure.
Eerste onderdeel van het enig cassatiemiddel
5. In een eerste onderdeel voert het Centrum aan dat het in geval van groepsdiscriminatie, dit is wanneer de discriminerende handeling op grond van een beschermd criterium gericht is op een groep van niet nader bepaalde personen die aan een beschermde criterium voldoen, een stakingsvordering kan instellen zonder de instemming van wie dan ook. De enkele omstandigheid dat een lid van de groep zich gediscrimineerd voelt of de discriminatie meldt, maakt van die persoon geen geïdentificeerd slachtoffer wiens instemming is vereist opdat het Centrum de staking van de bedoelde groepsdiscriminatie kan vorderen. De bescherming van het collectief belang van de gediscrimineerde groep kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de instemming van de individuele leden van die groep, temeer het voor de bescherming van het collectief belang van de groep niet nodig is om gewag te maken van individuele leden van de groep. In casu was volgens eiser niet betwist dat de discriminatie waarvan het de staking vorderde voortvloeide uit een personeelsadvertentie waarin leeftijdsvoorwaarden waren vermeld en dus niet uit een handeling die specifiek gericht was ten aanzien van de 49-jarige werkloze man die naar aanleiding van de advertentie eiser had aangeschreven om de discriminatie op grond van leeftijd te melden of aan te klagen. Het stond volgens eiser daarenboven vast dat voormelde man niet op de personeelsadvertentie was ingegaan. Die gegevens volstaan volgens eiser om de toepassing van artikel 31 Antidiscriminatiewet uit te sluiten en hem dus toe te laten een stakingsvordering in te stellen zonder instemming van de 49-jarige man. Door het tegenovergestelde te beslissen zouden de appelrechters de artikelen 20, §1, 29, §1, en 31 Antidiscriminatiewet en de artikelen 2, eerste lid, en 3, tweede lid, 5° van de Wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, zoals vóór hun vervanging bij wet van 17 augustus 2013, schenden.
Bespreking van het eerste onderdeel
6. Overeenkomstig artikel 20, §1, eerste lid, Antidiscriminatiewet stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang van de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, op verzoek van het slachtoffer van de discriminatie, van het Centrum, van een van de belangenverenigingen, van het openbaar ministerie, of, naargelang de aard van de daad, het arbeidsauditoraat, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van deze wet worden overtreden en beveelt hij de staking ervan.
Krachtens artikel 29, §1, Antidiscriminatiewet kan het Centrum(3) in rechte optreden in de geschillen waartoe deze wet aanleiding kan geven, met uitzondering van geschillen die betrekking hebben op discriminatie op grond van taal.
Artikel 31 van dezelfde wet bepaalt dat wanneer het slachtoffer van de discriminatie een geïdentificeerd natuurlijk persoon of een rechtspersoon is, de vordering van het Centrum en de belangenverenigingen alleen ontvankelijk is als zij aantonen dat zij de instemming van het slachtoffer hebben gekregen.
7. In het verslag namens de commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Eric Libert op 19 maart 2007 met betrekking tot onder meer het wetsontwerp van de latere Antidiscriminatiewet, werd, vooraleer te antwoorden op de vraag of de rechtsvordering van het Centrum en de belangengroeperingen ontvankelijk zal zijn in het geval waarin het slachtoffer zijn instemming wegens overmacht of omdat het overleden is, niet kan geven, verduidelijkt dat de instemming van het slachtoffer slechts vereist is wanneer die een "geïdentificeerd natuurlijk persoon of rechtspersoon" is. A contratrio is volgens het verslag geen instemming vereist wanneer het gaat om een gedrag dat een ongedefinieerd aantal personen treft(4).
8. Uit de voorbereidende werkzaamheden van de Antidiscriminatiewet blijkt bijgevolg ontegensprekelijk dat de ontvankelijkheidsvoorwaarde uit artikel 31 Antidiscriminatiewet niet geldt ingeval van een (vermeende) groepsdiscriminatie. De omstandigheid dat een lid van een (vermeend) gediscrimineerde groep geïdentificeerd is, omdat deze de discriminatie zoals in casu bijvoorbeeld aan het Centrum ter kennis heeft gebracht, is bijgevolg zonder belang.
9. De appelrechters die oordelen dat "de 49-jarige man uit Kieldrecht, waarvan tot op heden de identiteit niet kenbaar is gemaakt, maar waarvan het Centrum ontegensprekelijk kennis heeft, ten aanzien is als een "geïdentificeerd natuurlijk persoon" in de zin van artikel 31 Antidiscriminatiewet waarvan de toestemming voor het instellen van de procedure wel degelijk vereist is", "het niet is omdat ook andere niet geïndividualiseerde personen mogelijk slachtoffer konden zijn van de vooropgestelde leeftijdsdiscriminatie, dat het Centrum daardoor ook meteen naar aanleiding van een klacht van een geïndividualiseerd slachtoffer het recht zou verworven hebben om in het kader van huidige procedure zijn eis om te buigen naar een stakingsvordering ten voordele van een niet identificeerbare collectiviteit", en " vermits een klacht werd geformuleerd door een geïdentificeerd natuurlijk persoon, de vordering van de eiser, zonder het bewijs te leveren van de toestemming van die persoon, niet ontvankelijk is", schenden mijns inziens aldus artikel 31 Antidiscriminatiewet.
Het eerste onderdeel van het enige middel komt me gegrond voor.
Tweede onderdeel
10. Vermits het tweede onderdeel niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft het geen nader onderzoek.
Conclusie
Vernietiging van het bestreden arrest.
__________________
(1) Zie hiervoor artikel 17, §3, lid 2, Samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van racisme en discriminatie onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, BS 5 maart 2014.
(2) Op 22 februari 2016 omgedoopt tot Unia.
(3) Zie artikel 4, 5° Antidiscriminatiewet.
(4) Parl. St. Kamer 2006-2007, DOC 51-2720/009, 47.
PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180611.3
Gerelateerde publicatie(s)
Vonnis/arrest:
ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180611.3