Court partially allows appeal regarding traffic offense evidence but dismisses claims about missing documents.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation partially quashed the second-instance judgment ordering the defendants to pay a fine and contribute to the Victim Fund. The appellants argued that the lower court improperly relied on a response form not included in the criminal file, violating evidence rules. The court rejected this claim, finding no factual basis for the argument that the document was missing or that the defendants were denied a hearing.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 1319, 1320, 1322 Civil Code; The court holds that a lower court's reliance on a document not in the criminal file does not constitute a violation of evidence rules if the document's existence is established by the file itself and the decision is legally sound.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.16.1232.N
1. IMTECH TRAFFIC & INFRA nv, met zetel te 9031 Gent (Drongen), An-toon Catriestraat 18, in staat van faillissement sedert 1 februari 2016, met cu-rator mr. Hans De Meyer, met kantoor te 9000 Gent, Coupure 373,
beklaagde,
2. W J A V D B,
beklaagde,
eisers,
met als raadsman mr. Joost Peeters, advocaat bij de balie te Antwerpen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 28 oktober 2016.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.
Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het be-streden vonnis miskent de bewijskracht van het strafdossier door vast te stellen dat het proces-verbaal met antwoordformulier werd verzonden, terwijl het zich niet in het strafdossier bevindt; de appelrechters steunen op een stuk dat zich niet in het strafdossier bevindt; aldus kunnen ze niet rechtsgeldig oordelen of en op welke wijze een beklaagde werd gevraagd om inlichtingen bedoeld in artikel 67ter Wegverkeerswet; aldus voegen de appelrechters iets toe aan het strafdossier, dat er niet in te lezen is.
2. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters steunen op een stuk dat zich niet in het strafdossier bevindt en daardoor aan het strafdossier iets toe-voegen dat er niet in te lezen is, vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
3. Voor het overige geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van het aanvan-kelijk proces-verbaal, noch van enig ander stuk van het strafdossier en miskent het daarvan de bewijskracht niet.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis miskent de bewijskracht van het proces-verbaal door vast te stellen dat dit proces-verbaal vermeldt dat een antwoordfor-mulier werd opgestuurd, terwijl dit antwoordformulier zich niet bevindt in het strafdossier; aldus kan de eiser niet nagaan waaruit dit formulier bestaat, noch of er in werd verzocht het terug te sturen; door te oordelen dat het ant-woordformulier niet werd ingevuld en teruggestuurd, zonder vast te stellen wat de exacte bewoordingen ervan waren, is de beslissing niet naar recht verantwoord.
5. Met de vaststelling dat een proces-verbaal vermeldt dat een antwoordformu-lier werd opgestuurd, terwijl dit formulier zich niet zou bevinden in het strafdos-sier, geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van de bewoordingen van die akte en kan het bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat het bedoelde antwoordformulier zich niet in het strafdossier bevindt.
In zoverre is het onderdeel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.
7. Het bestreden vonnis stelt vast en oordeelt dat:
- het aanvankelijk proces-verbaal op 3 februari 2015 aan de eiseres 1 werd ver-zonden samen met een antwoordformulier;
- er niet werd gereageerd;
- uit stuk 10 van het strafdossier blijkt dat het voornoemd proces-verbaal met antwoordformulier op 28 april 2015 opnieuw werd verzonden aan de eiseres 1;
- er opnieuw niet werd gereageerd.
Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord zonder dat het bestreden vonnis de bewoordingen van het antwoordformulier moet vaststellen.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
8. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis vaststelt dat het proces-verbaal aantoont dat het antwoordformulier zou zijn verzonden, terwijl uit het strafdossier niet blijkt dat de eisers dat formulier hebben ontvangen; door te oor-delen dat het antwoordformulier niet werd ingevuld en teruggestuurd, zonder vast te stellen dat het werd ontvangen, is de beslissing niet naar recht verantwoord.
9. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eisers niet hebben gereageerd op het proces-verbaal dat samen met het antwoordformulier werd verzonden en dat dit antwoordformulier niet werd teruggezonden. Aldus stelt het bestreden vonnis vast dat de eisers dat formulier hebben ontvangen.
In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
Tweede middel
10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser 2 bewust en derhalve wetens en willens heeft gehan-deld; met het oordeel dat niet werd gereageerd en het antwoordformulier niet werd teruggestuurd, is het niet afdoende gemotiveerd; het bestreden vonnis preciseert niet waarom het niet tijdig terugzenden van het antwoordformulier en het ontbreken van een tijdige en correcte informatie vanwege een orgaan van de vennootschap, hier tot de vaststelling zouden leiden dat de eiseres 1 dermate slecht is georganiseerd dat het misdrijf haar moreel kan worden toegerekend.
11. De rechter oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar of een rechtspersoon dermate slecht is georganiseerd dat het misdrijf haar moreel kan worden toegere-kend.
Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aan-genomen.
12. Met de redenen dat het antwoordformulier niet werd teruggezonden door de eiseres 1 en er geen reactie was van de eiser 2 als orgaan van de eiseres 1, is de beslissing naar recht verantwoord, zonder dat de appelrechters de redenen van hun redenen dienen te vermelden.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
13. Krachtens artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, kan, wanneer de rechtsper-soon verantwoordelijk wordt gesteld uitsluitend wegens het optreden van een ge-identificeerde natuurlijke persoon, enkel diegene die de zwaarste fout heeft be-gaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechts-persoon worden veroordeeld.
14. De rechter oordeelt onaantastbaar of een natuurlijke persoon wiens straf-rechtelijke verantwoordelijkheid samenloopt met deze van een rechtspersoon, we-tens en willens heeft gehandeld. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vast-stellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
15. Uit de materialiteit van de overtreding van de wet zelf en met name uit de omstandigheid dat het bewuste antwoordformulier niet werd teruggestuurd, vloeit het bewijs van het moreel element van het misdrijf bepaald in artikel 67ter Weg-verkeerswet voort, maar niet dat die fout wetens en willens werd gepleegd in de zin van artikel 5 Strafwetboek.
Uit de enkele omstandigheid dat de eiser 2 als natuurlijke persoon-zaakvoerder van de eiseres 1 die een rechtspersoon is, niet heeft gereageerd, kunnen de appel-rechters niet afleiden dat de eiser 2 bewust en derhalve wetens en willens heeft gehandeld in de zin van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek. Het bestreden vonnis dat anders oor¬deelt, verantwoordt de beslissing over de niet-toepassing van de strafuitsluitingsgrond van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek niet naar recht.
Het middel is in zoverre gegrond.
Derde middel
16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis leidt op automatische wij-ze de schuld van de eiser 2 af uit het plegen van het misdrijf, zonder zijn concrete geestesgesteldheid te beoordelen.
17. Het bewijs van het misdrijf bepaald in artikel 67ter Wegverkeerswet, daarin begrepen het moreel bestanddeel, kan uit de overtreding van de wet zelf voort-vloeien.
18. Met het oordeel dat op grond van het feit dat de eiser 2 als zaakvoerder niet reageert, leidt het bestreden vonnis naar recht eisers schuld af uit concreet vastge-stelde feiten zonder enig automatisme. Dit levert geen miskenning van het ver-moeden van onschuld op.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Vierde middel
19. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: met het oordeel dat op grond van het feit dat de eiser 2 als zaakvoerder niet reageert, vaststaat dat hij bewust en derhalve wetens en willens heeft gehandeld miskent het bestreden vonnis het verbod op zelfincriminatie; de eiser 2 kan niet worden verplicht te antwoorden op het antwoordformulier of de nodige maatregelen te nemen om de mededeling van de bestuurder tijdig te kunnen doen; met het oordeel dat de eisers samen kunnen worden veroordeeld doordat de eiser 2 onvoldoende maatregelen zou hebben genomen om de mededeling van de identiteit van de bestuurder te kunnen doen, is de beslissing niet naar recht verantwoord.
20. Krachtens artikel 67ter Wegverkeerswet is de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt op wiens naam een motorvoertuig is in-geschreven waarmee een overtreding van die wet of haar uitvoeringsbesluiten is gepleegd, ertoe gehouden de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te geven of, indien hij die niet kent, de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich heeft. Dergelijke verplichting houdt geen verboden zelfincriminatie in.
Het middel faalt naar recht.
Vijfde middel
21. Het middel voert schending aan van de artikelen 29ter en 67ter Wegver-keerswet.
Eerste onderdeel
22. Het onderdeel voert aan dat de eisers schuldig worden verklaard aan de te-lastlegging, alhoewel het antwoordformulier waarnaar het betreden vonnis ver-wijst ontbreekt zodat de bewoordingen ervan niet kunnen worden nagegaan; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.
23. Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het eerste middel is om dezelfde reden te verwerpen.
Tweede onderdeel
24. Het onderdeel voert aan dat de eisers onwettig schuldig werden verklaard omdat het bewuste antwoordformulier niet voorligt en zonder dat een poging werd gedaan de eisers te horen wie, als er al een formulier zou zijn verzonden, dat ook nog zou zijn aangekomen, dit dan bij voorkeur had moeten invullen.
25. De verplichting voor de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegen-woordigt om de identiteit van de bestuurder van het voertuig ingeschreven op naam van die rechtspersoon en waarmee een overtreding op de Wegverkeerswet of haar uitvoeringsbesluiten werd begaan, mee te delen, vloeit voort uit de wet, met name artikel 67ter Wegverkeerswet dat elkeen geacht is te kennen. Die ver-plichting vloeit niet voort uit een bericht daarover in het opgestuurde antwoord-formulier, ook al heeft het ontvangen van dit formulier voor gevolg dat daaraan gevolg moet gegeven worden zoals vereist bij de voormelde wetsbepaling.
26. Het bestreden vonnis dat vaststelt dat het antwoordformulier aan de eisers werd opgestuurd en dat het niet teruggestuurd werd, oordeelt dat het misdrijf be-paald in artikel 67ter Wegverkeerswet bewezen is. Het oordeelt aldus naar recht dat het moreel bestanddeel van dit misdrijf vaststaat.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
27. Voor het overige blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat ze dienden te wor-den gehoord.
In zoverre is het onderdeel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.
Zesde middel
28. Het middel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord.
Omvang van de cassatie
29. De vastgestelde onwettigheid tast de beoordeling van de schuld van de ei-sers aan de telastleggingen niet aan.
Ambtshalve onderzoek voor het overige
30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eisers tot straf veroordeelt en tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Veroordeelt de eisers tot twee derden van de kosten en laat de beslissing over de overige kosten aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, zetelend in hoger beroep, anders samengesteld.
Bepaalt de kosten op 199,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 september 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.
F. Adriaensen I. Couwenberg S. Berneman
A. Lievens P. Hoet P. Maffei
Document PDF ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170926.6