Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170113.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170113.4 Généré par l'IA

Court allows creditor to execute against third party after invalidating debtor's transfer via paulian action.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170113.4
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation overturned the appellate court's dismissal, ruling that a creditor may execute against a third party even if the debtor's transfer was previously invalidated. The creditor (OVAM) sought to sell land belonging to the deceased's estate, which had been transferred to the appellant (M.H.) after the debtor's death. The court held that the paulian action's effect on the third party does not preclude execution, as the asset effectively resides with the third party. Consequently, the case was remitted to a lower court for execution proceedings.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1167 and 1189 of the Civil Code; A creditor may execute against a third party holding an asset transferred by the debtor, even if the transfer was invalidated by a paulian action, provided the asset effectively resides with the third party.

Mots-clés

Généré par l'IA
paulian action creditor's rights third party execution unbeheerde nalatenschap asset transfer civil code remittal for execution

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 1167 of the Civil Code
Article 1189 of the Judicial Code
Article 813 of the Civil Code
Article 1228 of the Judicial Code
Article 31 of the Judicial Code

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Nr. C.16.0139.N

OUTLAND nv, met zetel te 9990 Maldegem, Breugellaan 16,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Bergstraat 11, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ iva (afgekort OVAM), met zetel te 2800 Mechelen, Stationsstraat 110,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest,

mede inzake

M.H.,

verweerster,

minstens partij opgeroepen in gemeenverklaring van het tussen te komen arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 november 2015.

Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. FEITEN

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijken de volgende feiten:

- wijlen G.C. was eigenaar van een aantal vervuilde gronden gelegen te Malde-gem-Middelburg;

- OVAM (de verweerster) ging over tot herstelmaatregelen en maakte aanspraak op vergoeding van de kosten ervan;

- ten einde haar schuldvordering veilig te stellen liet OVAM op 2 juni 1992 be-warend beslag leggen op andere niet-vervuilde percelen van wijlen G.C.;

- hiertegen derdenverzet werd gedaan door de eiseres die aanvoerde dat zij eige-naar was geworden van deze onroerende goederen ten gevolge van de inbreng in de vennootschap op 23 maart 1992;

- OVAM met succes deze inbreng heeft aangevochten op grond van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek en deze eigendomsoverdracht haar niet-tegenwerpelijk werd verklaard bij beschikking van de beslagrechter;

- deze beslissing werd bevestigd in hoger beroep en het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van beroep werd verworpen;

- wijlen G.C. overleed op 14 januari 2000 en de rechtbank te Gent stelde op 3 mei 2001 meester M.H. aan als curator over de onbeheerde nalatenschap;

- OVAM deed begin 2002 aangifte van haar schuldvordering tot beloop van 7.891.104,44 euro;

- OVAM heeft op 3 maart 2013 de curator gedagvaard opdat deze zou overgaan tot de verkoop van de genoemde percelen teneinde de opbrengst aan te wenden tot voldoening van haar schuldvordering.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Een onbeheerde nalatenschap zoals bedoeld in artikel 813 Burgerlijk Wet-boek doet een samenloop ontstaan tussen de schuldeisers.

De door de rechtbank aangestelde curator beheert de nalatenschap en is belast met de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief overeenkomstig de regels die gelden bij de beneficiaire aanvaarding.

2. De curator van een onbeheerde nalatenschap is bevoegd om overeenkomstig artikel 1189 Gerechtelijk Wetboek over te gaan tot de openbare verkoop van on-roerende goederen die behoren tot een dergelijke nalatenschap.

3. Volgens artikel 1167 Burgerlijk Wetboek, kan een schuldeiser in eigen naam opkomen tegen handelingen die zijn schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke benadeling van zijn rechten.

Een dergelijke pauliaanse vordering strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent.

De vergoeding van deze schade, terzake van de bedrieglijke overdracht van een vermogensbestanddeel door de schuldenaar aan een derde-medeplichtige, bestaat in beginsel hierin dat die overdracht aan de agerende schuldeiser niet tegenwerpe-lijk is zodat hij tot executie op het overgedragen vermogensbestanddeel kan over-gaan.

De niet-tegenwerpelijkheid heeft een relatieve werking en strekt slechts in het voordeel van de schuldeiser die de pauliaanse vordering met succes heeft inge-steld.

4. Uit het vorenstaande volgt dat indien een van de samenlopende schuldeisers een pauliaanse vordering heeft ingesteld waardoor de eigendomsoverdracht van een bepaald goed dat de overledene toebehoorde hem niet tegenwerpelijk is, zulks niet tot gevolg heeft dat dit goed tot het actief van de nalatenschap behoort waar-voor de curator bevoegd is om op te treden.

5. De appelrechters die oordelen dat de samenloop tot gevolg heeft dat de col-lectieve vereffening van de onbeheerde nalatenschap voorop staat zodat enkel de curator ten behoeve van de schuldeiser die met succes een pauliaanse vordering heeft ingesteld, kan overgaan tot uitwinning en op die gronden aan de curator de machtiging verlenen als bedoeld in artikel 1189 Gerechtelijk Wetboek, verant-woorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Albert Fettweis en Alain Smetryns, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2017 uitgesproken door sectie-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.

V. Van de Sijpe K. Moens B. Wylleman

A. Smetryns A. Fettweis E. Dirix

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De burgerlijke vennootschap onder vorm van naamloze vennootschap OUTLAND met zetel te 9990 Maldegem, Breugellaan 16 en ingeschreven in de KBO onder het nummer 0446.084.687,

Eiseres tot cassatie,

vertegenwoordigd en bijgestaan door meester Bruno MAES, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Bergstraat 11, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan.

TEGEN: 1. IVA OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (in het kort OVAM), ingeschreven in de KBO onder het nummer 0842.399.963, met zetel te 2800 Mechelen, Stationsstraat 110, (als rechtsopvolgster van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest, KBO nummer 0225.627.740), die in het exploot van betekening van het bestreden arrest keuze van woonplaats heeft gedaan op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Hans VAN DORPE, te 9800 Deinze, Kortrijkstraat 82 bus 1 (stuk 2 bij de voor-ziening),

Eerste verweerster in cassatie

2. M.H.

Tweede verweerster in cassatie, minstens partij opgeroepen in gemeenver-klaring van het tussen te komen arrest (hierna: kortweg "tweede verweer-ster" genoemd)

* * *

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

De eiseres heeft de eer aan het toezicht van uw Hof het arrest voor te leggen dat op 26 no-vember 2015 tussen de partijen werd uitgesproken door de 11de kamer van het hof van be-roep te Gent (A.R. nr. 2014/AR/0852).

VOORGAANDEN

Het appelgerecht zet de voorgaanden uiteen op de pagina's 3 t.e.m. 6 van het bestreden ar-rest. De eiseres verwijst naar die uiteenzetting.

MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 813 jo 806 en 1167 Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig de artikelen 544 en 1134 van dit wetboek;

- artikel 1189 Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig de artikelen 1491 en 1560 van dit wetboek.

Bestreden beslissing

Het appelgerecht overweegt het volgende in het bestreden arrest (p. 3 - 6):

"[I.] 1. Begin de jaren '80 baat G.C. een illegale stortplaats uit. Dientengevolge wordt hij medio jaren '80 strafrechtelijk en burgerrechtelijk veroordeeld, in essentie tot verwijdering van het afval en herstel van de stortplaats. De burgerrechtelijke (dwangsom)veroordeling komt tussen op vordering van [eerste verweerster] als bur-gerlijke partij, die bijkomend wordt gemachtigd om desnoods ambtshalve tot uitvoe-ring van de herstelmaatregel over te gaan met recuperatie van de kosten.

De veroordeling slaat op een aantal vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg, ei-gendom van G.C..

Bij gebrek aan vrijwillige uitvoering, gaat [de eerste verweerster] ambtshalve over tot uitvoering van de herstelmaatregel, wat diverse jaren aansleept en substantiële kos-ten meebrengt. [...].

2. Teneinde haar schuldvordering zoveel als mogelijk te beveiligen, vraagt [de eerste verweerster] beslagrechterlijke machtiging tot het leggen van bewarend be-slag (mede) op andere niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg, volgens haar eveneens eigendom van G.C..

Na beslagrechterlijke machtiging van 6 mei 1992, laat [de eerste verweerster] over-gaan tot deze beslagmaatregel op 2 juni 1992.

Hierop volgt evenwel derdenverzet van de [eiseres], die aangeeft dat de bedoelde andere percelen ingevolge een inbreng in natura van 25 maart 1992 intussen haar eigendom zijn.

Bij vonnis van 5 oktober 2004 verklaart de beslagrechter te Gent deze inbreng niet-tegenwerpbaar aan [de eerste verweerster]. De inwilliging van de onderliggende pau-liaanse vordering van [de eerste verweerster] is definitief, nu het vonnis van 5 oktober 2004 is bevestigd bij arrest van de 14de kamer van dit hof van 9 februari 2010 en het cassatieberoep tegen dat arrest is verworpen bij cassatiearrest van 18 maart 2011.

3. G.C. is overleden op 14 januari 2000, waarop de erfgerechtigden zijn nala-tenschap verwerpen.

Bij beschikking van 3 mei 2001 wijst de rechtbank van eerste aanleg te Gent [de tweede verweerster] aan als curator over de onbeheerde nalatenschap.

4. Begin 2002 doet [de eerste verweerster] aangifte van haar schuldvordering voor een provisioneel bedrag van [...] 7.891.104,44 euro.

In de loop van 2002 neemt de [tweede verweerster] deze schuldvordering op in het passief van de onbeheerde nalatenschap van G.C..

Ruim tien jaar later en meer precies in het voorjaar van 2013 raamt [de eerste ver-weerster] haar schuldvordering definitief op een bedrag van 7.811.337,28 euro. [De eerste verweerster] preciseert en stoffeert een en ander bij brief van 26 februari 2013 aan de [tweede verweerster]. Zij verzoekt tegelijk om de (nog steeds rechtsgeldig be-slagen) percelen, inzonderheid de niet-vervuilde percelen, te gelde te maken teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van haar schuldvordering. [De eerste verweerster] redeneert dat, aangezien voormelde inbreng in natura van de niet-vervuilde percelen aan haar niet-tegenwerpbaar is, zij er mag blijven van uitgaan dat (ook) deze percelen nog steeds tot het nalatenschapsvermogen van G.C. behoren.

Bij brief van 6 maart 2013 repliceert de [tweede verweerster] dat zij vooralsnog enkel opdracht kreeg om de goederen te gelde te maken die (sowieso) tot het nalaten-schapsvermogen van G.C. behoren, en dus niet om de goederen te gelde te maken die (los van de positie van [de eerste verweerster]) toebehoren aan de [eiseres].

5. Daar waar blijkens een beschikking van 26 september 2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent de [tweede verweerster] machtiging heeft gekregen om een aantal vervuilde percelen te gelde te maken (middels openbare verkoop), ligt nog geen beschikking voor tot machtiging van de [tweede verweerster] om de litigieuze andere niet-vervuilde percelen te gelde te maken.

[...].

De bedoelde (acht) niet-vervuilde percelen hebben (op heden) als kadastrale gege-vens: Maldegem-Middelburg, 4de Afdeling, Sectie A, perceelnummers 428C, 430C, 432C, 435D, 436B, 442B, 451A en 455 A.

[II.] 1. Bij dagvaarding van 5 maart 2013 richt [de eerste verweerster] zich in de eerste plaats tegen de [tweede verweerster].

[De eerste verweerster] wil vooreerst doen zeggen voor recht dat zij ten aanzien van de onbeheerde nalatenschap van G.C. een schuldvordering heeft ten bedrage van 7.811.337,28 euro.

[De eerste verweerster] wil vervolgens de [tweede verweerster] doen machtigen om in naam van [de eerste verweerster] de bedoelde acht niet-vervuilde percelen te Mal-degem-Middelburg te gelde te maken teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van haar schuldvordering.

[...]

[De eerste verweerster] wil bovendien de tussen te komen beslissing gemeen doen verklaren aan de [eiseres], die zij eveneens heeft betrokken.

[...]

2. Bij vonnis van 14 november 2013 oordeelt de rechtbank van eerste aanleg te Gent vooreerst dat de schuldvordering van [de eerste verweerster] reeds is opgeno-men in het passief van de onbeheerde nalatenschap van G.C.. [...].

De rechtbank vervolgt dat zij niet kan ingaan op het verzoek tot machtiging, aange-zien de bedoelde acht niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg, ingevolge een op zich rechtsgeldige inbreng in natura ten aanzien van de [eiseres] niet meer tot het nalatenschapsvermogen van G.C. behoren. De niet-tegenwerpbaarheid van die inbreng geldt enkel voor [de eerste verweerster], die zodoende als enige is gerechtigd om op de ingebrachte goederen uit te winnen alsof ze nog tot het nalatenschapsver-mogen van G.C. behoren. De [tweede verweerster] moet zich evenwel houden aan de algemene grenzen van het nalatenschapsvermogen van G.C..

[...]

III. HOGER BEROEP

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 25 maart 2015 stelt [de eerste verweerster] hoger beroep in.

Met haar hoger beroep beoogt [de eerste verweerster], met hervorming van het be-roepen vonnis, de inwilliging van haar oorspronkelijke vordering.

2. De [tweede verweerster] sluit zich aan bij het oordeel van het hof.

3. De [eiseres] neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [de eerste verweer-ster] tot de nader begrote gedingkosten in hoger beroep".

Na het voorgaande overwogen te hebben beslist het appelgerecht als volgt in het bestreden arrest (dictum):

- verklaart het hoger beroep van [de eerste verweerster] ontvankelijk en groten-deels gegrond als volgt,

- hervormt, gelet op de grenzen waarbinnen het is beroepen, het vonnis van 14 november 2013, als volgt,

- verklaart de vordering van [de eerste eiseres] ontvankelijk en deels gegrond als volgt,

- machtigt, met toepassing van artikel 1189 Ger.W., [de tweede verweerster] als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.C. om in naam van [de eerste verweerster] de bedoelde acht niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg (met als actuele kadastrale gegevens: Maldegem-Middelburg, 4de Afdeling, Sectie A, perceelnummers 428C, 430C, 432C, 435D, 436B, 442B, 451A en 455A) te gelde te maken middels openbare verkoop teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van haar schuldvordering ten bedrage van 7.811.337,28 euro.

- wijst notaris Kathleen DE ROP (met standplaats te 9990 Maldegem, Edestraat 21) aan om de openbare verkoop door te voeren, in voorkomend geval ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de onroerende goederen zijn gelegen,

en het kent de door de eiseres gevorderde kosten niet toe.

Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen van het bestreden arrest (p. 7 - 9) :

"[IV.] 3. Anders dan de eerste rechter is het hof evenwel van oordeel dat met toepas-sing van artikel 1189 Ger. W. kan worden ingegaan op het verzoek van [de eerste verweerster] tot (gedwongen) machtiging van de curator om in naam van [de eerste verweerster] de bedoelde acht niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg te gelde te maken teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van haar schuldvordering.

Het gegeven dat de bedoelde acht niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg, ingevolge een op zich rechtsgeldige inbreng in natura ten aanzien van de [eiseres], niet meer tot het nalatenschapsvermogen van G.C. behoren, is geen struikelblok. Die inbreng is immers niet tegenwerpbaar aan [de eerste verweerster], die schuldeiser is van de nalatenschap van G.C.. Wat [de eerste verweerster] betreft, behoren de be-doelde acht niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg nog steeds tot het na-latenschapsvermogen van G.C.. Wanneer [de eerste verweerster] zou uitwinnen op de bedoelde acht niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg, zou zij dat doen in het nalatenschapsvermogen van G.C., terwijl de [eiseres] die uitwinning zou moeten ondergaan.

Ingeval zich een onbeheerde nalatenschap (in de zin van artt. 811 en 813 BW) aan-dient, ontstaat een situatie van samenloop (E. Dirix en K. Broeckx, ‘Beslag', APR 2010, 115, nr. 147; E Dirix en R. de Corte, Zekerheidsrechten, Antwerpen, Kluwer Rechtswe-tenschappen België, 1999, 68-69, nr. 81; M. Moerman, ‘De curator over de onbeheer-de nalatenschap: een praktische benadering', in Vlaamse Conferentie van de Balie te Gent (ed.), Het (on)vermogen tot planning, Gent, Larcier, 2013, 53-54). Deze samen-loop ontstaat door de aanwijzing van een curator met toepassing van artikel 1228 Ger. W.

Dientengevolge staat een collectieve vereffening van het passief voorop (M. Go-vaerts, ‘De aanstelling en de taken van de curator van de onbeheerde nalatenschap', noot onder Cass. 15 april 2011, RABG 2012, 326, nr. 7; zie ook H. De Page, Traité élé-mentaire de droit civil belge, IX, Les successions, Brussel, Larcier 1946, 1109, nr. 1501; E. Dirix en R. de Corte, Zekerheidsrechten, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1999, 30, nr. 30).

Chirografaire schuldeisers en schuldeisers met slechts een algemeen voorrecht kunnen niet afzonderlijk tot uitvoering overgaan zolang de vereffening loopt (M. Puelinckx-Coene, J. Verstraete en N. Geelhand, ‘Overzicht van rechtspraak (1988-1995): Erfenissen", TPR 1997, 423-426, nr. 356). Zolang de vereffening niet is afgesloten, hebben dergelijke schuldeisers niet het recht om individuele daden van tenuitvoer-legging te stellen en zodoende goederen te doen uitwinnen (A. Vastersavendts, "Art. 811 BW", Comm. Pers. 2004, 12, nr. 32).

Die situatie van samenloop maakt dat de curator als collectieve vereffenaar moet op-treden ten behoeve van de schuldeisers, ook al brengt dat optreden mee dat, gelet op de specifieke situatie van een (chirografaire) schuldeiser (of een schuldeiser met slechts een algemeen voorrecht) die met succes een pauliaanse vordering instelde, buiten het algemene nalatenschapsvermogen, alsof ze ook tot het nalatenschaps-vermogen behoren. Wat deze schuldeider betreft, behoren die goederen immers tot het nalatenschapsvermogen, terwijl de derde (via de pauliaanse vordering mede ge-viseerde mede-contractant) de uitwinning moet ondergaan.

Het behoort tot de bevoegdheid van de curator en het is derhalve zijn taak om de handelingen te stellen die vóór het ontstaan van de samenloop de schuldeisers konden stellen (M. Govaerts, "De aanstelling en de taken van de curator van de onbeheerde nalatenschap", noot onder Cass. 15 april 2011, RABG 2012, 328, nr. 10; zie ook Cass. 19 februari 1903, Pas. 1903, I, 116).

De relatieve werking van een ingewilligde pauliaanse vordering, die maakt dat de geviseerde vermogensoverdracht enkel niet-tegenwerpbaar is aan de schuldeiser die de vordering instelde, verhindert niet dat, gelet op de samenloop, de curator op-treedt. De relatieve werking maakt dat de uitwinning op de goederen buiten het al-gemene nalatenschapsvermogen enkel ten goede komt aan de schuldeiser die met succes de pauliaanse vordering instelde: wat deze schuldeiser betreft, behoren deze goederen immers tot het nalatenschapsvermogen (zie ook A. Lenaerts, "Over de pau-liaanse vordering: draagwijdte van de anterioriteitsvoorwaarde en rechtsgevolgen", TBBR 2009, 505, nr. 24). De relatieve werking belet niet dat de curator uitwint, inte-gendeel. De benodigde collectieve vereffening van het passief brengt mee dat enkel de curator kan uitwinnen. Zoals aangegeven, blijft die uitwinning, wat betreft de schuldeiser die met succes de pauliaanse vordering instelde, zich binnen het nalaten-schapsvermogen situeren. De via de pauliaanse vordering geviseerde mede-contractant moet als derde de uitwinning ondergaan.

Anders dan de eerste rechter gaat het hof in op het verzoek van [de eerste verweer-ster] tot machtiging van de curator om in naam van [de eerste verweerster] de be-doelde acht niet-vervuilde percelen te Maldegem-Middelburg te gelde te maken ten-einde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van haar schuldvordering.

4. [...].

5. Op verzoek van [de eerste verweerster] verklaart het hof het voorliggende arrest gemeen aan de [eiseres].

De [eiseres] is, zoals in eerste aanleg, behoorlijk betrokken gebleven.

6. Het hoger beroep slaagt in voormede zin.

[V.] [...] 2. [...] De (hoofdzakelijk) in het gelijk gestelde partij (met een advocaat) is [de eerste verweerster], zodat alleen voor deze partij een rechtsplegingsvergoeding kan worden bepaald".

Grieven

1. Uit het bestreden arrest blijkt het volgende:

- teneinde haar schuldvordering op wijlen de heer G.C. zoveel als mogelijk te beveiligen, vraagt de eerste verweerster beslagrechtelijke machtiging tot het leggen van bewarend beslag (mede) op de bedoelde acht niet - vervuilde percelen met als kadastrale gegevens: Maldegem - Middelburg, 4de afdeling, sectie A, perceelnummers 428C, 430C, 432C, 435D, 436B, 442B, 451A en 455A (bestreden arrest, p. 3, nr. 1 en 2, p. 4, in fine);

- na beslagrechterlijke machtiging van 6 mei 1992, laat de eerste verweerster overgaan tot deze beslagmaatregel op 2 juni 1992 (ibidem, p. 3, nr. 2);

- hierop volgt evenwel derdenverzet van de eiseres, die aangeeft dat de bedoelde andere percelen ingevolge een inbreng in natura van 25 maart 1992 intussen haar eigendom zijn (ibidem);

- bij vonnis van 5 oktober 2004 verklaart de beslagrechter te Gent de inbreng in natura van 25 maart 1992 niet - tegenwerpbaar aan de eerste verweerster; de inwilliging van de onderliggende pauliaanse vordering van de eerste verweerster is definitief, nu het vonnis van 5 oktober 2004 is bevestigd bij arrest van de 14de kamer van het appelgerecht van 9 februari 2010 en het cassatieberoep tegen dat arrest is verworpen bij arrest van uw Hof van 18 maart 2011 (ibidem);

- wijlen de heer G.C. is overleden op 14 januari 2000, waarop de erfgerechtigden zijn nala-tenschap verwerpen (ibidem, nr. 3);

- bij beschikking van 3 mei 2001 wijst de rechtbank van eerste aanleg te Gent de tweede verweerster aan als curator van de onbeheerde nalatenschap (ibidem);

- begin 2002 doet de eerste verweerster aangifte van haar schuldvordering voor een provi-sioneel bedrag van 7.891.104,44EUR; in de loop van 2002 neemt de tweede verweerster deze schuldvordering op in het passief van de onbeheerde nalatenschap G.C.; in het voor-jaar van 2013 raamt de eerste verweerster haar schuldvordering definitief op een bedrag van 7.811.337,28EUR (ibidem, p. 4, nr. 4); die schuldvordering is opgenomen in het passief van de onbeheerde nalatenschap G.C. (ibidem, p. 7, nr. 2);

- bij brief van 26 februari 2013 aan de tweede verweerster verzoekt de eerste verweerster om de (nog steeds rechtsgeldig beslagen) percelen, inzonderheid de [bedoelde acht] niet - vervuilde percelen te gelde te maken teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van haar schuldvordering (ibidem, p. 4, nr. 4, al. 3, nr. 5, in fine);

- bij brief van 6 maart 2013 repliceert de tweede verweerster dat zij vooralsnog enkel de opdracht kreeg om de goederen te gelde te maken die (sowieso) tot het nalatenschaps-vermogen van wijlen de heer G.C. behoren, en dus niet om de goederen te gelde te ma-ken die (los van de positie van de eerste verweerster) toebehoren aan de eiseres (ibidem, p. 4, nr. 4, al. 4);

- bij dagvaarding van 5 maart 2013 wil de eerste verweerster o.m. de tweede verweerster doen machtigen om in naam van de eerste verweerster de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te gelde te maken teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van haar schuldvordering en de tussen te komen beslissing gemeen te doen verklaren aan de eiseres (ibidem, p. 5, nr. 1); met haar hoger beroep beoogt de eerste verweerster, met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar oorspronkelijke vordering (ibidem, p. 6, nr. 1);

- de eiseres neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevesti-ging van het beroepen vonnis, waarbij voormeld verzoek van de eerste verweerster tot machtiging wordt afgewezen (ibidem, p. 5, nr. 2, in fine, p. 6, nr. III, 3);

- de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Maldegem - Middelburg behoren ten aan-zien van de eiseres, ingevolge een op zich rechtsgeldige inbreng in natura, niet meer tot het nalatenschapsvermogen van G.C. (ibidem, p. 7, nr. 3, al. 2, eerste zinsnede).

Het bestreden arrest wordt op de voormelde punten als dusdanig niet bekritiseerd door de eiseres.

2. In de voorliggende zaak zijn bijgevolg de volgende rechtsregels van toepassing.

2.1. Artikel 813 Burgerlijk Wetboek in de te dezen toepasselijke versie luidt als volgt:

"De door de rechtbank van eerste aanleg aangewezen curator is gehouden de staat van nala-tenschap door een boedelbeschrijving te doen vaststellen.

Hij beheert de nalatenschap. De bepalingen van de afdeling (III) van dit hoofdstuk betreffende de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam, zijn van toepassing op deze afdeling".

Artikel 806, lid 1, Burgerlijk Wetboek, dat krachtens artikel 813 van toepassing is, luidt als volgt:

"De verkoop van de roerende of onroerende goederen geschiedt in de vorm, door het Gerech-telijk Wetboek bepaald".

Artikel 1189, lid 1 en 2, Gerechtelijk Wetboek in de te dezen toepasselijke versie bepaalt het volgende:

"De openbare verkoping van onroerende goederen die behoren tot nalatenschappen aan-vaard onder voorrecht van boedelbeschrijving of tot onbeheerde nalatenschappen, is onder-worpen aan de volgende voorwaarden:

De erfgenamen of curators zijn gehouden bij verzoekschrift machtiging tot het verrichten van de openbare verkoping te vragen aan de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de erfenis is opengevallen; indien de rechtbank de machtiging verleent, wijst zij tegelijk een no-taris aan, door wiens ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping zal geschieden".

Uit de leden 1 en 2 van dit artikel 1189 blijkt duidelijk dat de curator van de onbeheerde na-latenschap, te dezen de tweede verweerster, slechts kan gemachtigd worden tot het verrich-ten van de openbare verkoping van onroerende goederen die behoren tot de nalatenschap m.a.w. die behoren tot het vermogen van de decujus, te dezen de onbeheerde nalatenschap G.C..

Dit blijkt ook uit de samenhang van deze bepalingen van artikel 1189 en de voormelde arti-kelen 813 jo 806, lid 1, Burgerlijk Wetboek.

De curator van de onbeheerde nalatenschap kan dus niet gemachtigd worden tot het verrich-ten van de openbare verkoping van onroerende goederen die niet behoren tot het nalaten-schapsvermogen, m.a.w. die behoren tot het vermogen van een derde.

2.2. Op grond van artikel 1167, lid 1, Burgerlijk Wetboek kan een schuldeiser in eigen naam opkomen tegen handelingen die zijn schuldenaar heeft verricht met bedrieglijke bena-deling van zijn rechten.

Deze pauliaanse vordering strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar, te dezen wijlen de heer G.C., aan de schuldeiser, te dezen de eerste ver-weerster, berokkent. Betreft de bedrieglijke handeling de overdracht van een vermogensbe-standdeel, te dezen de bedoelde acht niet - vervuilde percelen, door de schuldenaar aan een derde, te dezen de eiseres, dan bestaat de vergoeding in beginsel hierin dat die overdracht aan de agerende schuldeiser niet - tegenwerpelijk is, zodat hij tot tenuitvoerlegging op het overgedragen vermogensbestanddeel kan overgaan.

Uit al het voorgaande volgt dat in de rechtsbetrekkingen tussen de schuldenaar, te dezen wij-len de heer G.C., en de derde persoon, te dezen de eiseres, de bedrieglijke overdracht van een vermogensbestanddeel, te dezen de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Malde-gem - Middelburg, onverkort geldig blijft, zodat zij in deze verhouding ten volle uitwerking geniet. Dit vermogensbestanddeel bevindt zich dus niet meer in het vermogen van de schul-denaar, thans de onbeheerde nalatenschap G.C. waarvan de tweede verweerster curator is, maar wel in het vermogen van de derde.

De schuldeiser dient dus uit te winnen op het vermogen van de derde.

2.3. De overwegingen van het bestreden arrest (p. 7 - 8, nr. 3), op grond van de artikelen 811, 813 Burgerlijk Wetboek en 1228 Gerechtelijk Wetboek, dat door de aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap een situatie van samenloop ontstaat, dat dienten-gevolge een collectieve vereffening van het passief vooropstaat waarbij de curator als collec-tieve vereffenaar moet optreden ten behoeve van de schuldeisers, doet aan het voorgaande geen afbreuk.

De betwisting voor het appelgerecht in de voorliggende zaak betrof niet de vraag wie, na de aanwijzing van de tweede verweerster, de pauliaanse vordering zou kunnen instellen of ver-derzetten, m.a.w. betrof niet de vraag of de eerste verweerster deze, na de aanwijzing van de tweede verweerster, zou kunnen uitoefenen dan wel of dit recht enkel nog de tweede ver-weerster toekwam.

Uit de voormelde overwegingen van het bestreden arrest blijkt immers dat bij vonnis van 5 oktober 2004 de beslagrechter te Gent de inbreng in natura van 25 maart 1992 niet - tegen-werpbaar aan de eerste verweerster verklaart en dat de inwilliging van de onderliggende pauliaanse vordering van de eerste verweerster definitief is.

De betwisting in de voorliggende zaak, tussen enerzijds de eerste verweerster en anderzijds de eiseres, betrof de vraag of de tweede verweerster met toepassing van artikel 1189 Ge-rechtelijk Wetboek in naam van de eerste verweerster de bedoelde acht niet - vervuilde per-celen te Maldegem - Middelburg te gelde mocht maken middels openbare verkoop teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van de bepaalde schuldvordering van de eerste verweerster.

3. Het appelgerecht leidt echter een onwettig rechtsgevolg af uit de voormelde om-standigheden en rechtsregels.

Het oordeelt namelijk dat het gegeven dat de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Mal-degem - Middelburg, ingevolge een op zich rechtsgeldige inbreng in natura ten aanzien van de eiseres, niet meer tot het nalatenschapsvermogen van G.C. behoren geen struikblok is dat met toepassing van artikel 1189 Gerechtelijk Wetboek kan worden ingegaan op het verzoek van de eerste verweerster tot (gedwongen) machtiging van de curator [tweede verweerster] om in naam van de eerste verweerster de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Malde-gem - Middelburg te gelde te maken (bestreden arrest, p. 7, nr. 3, al. 1 - 2).

Door aldus te oordelen schendt het appelgerecht artikel 1189, inzonderheid lid 1 en 2, Ge-rechtelijk Wetboek vermits, zoals hierboven (nr. 2.1) aangevoerd, op grond van deze bepa-lingen de curator van de onbeheerde nalatenschap, te dezen de tweede verweerster, slechts kan gemachtigd worden tot het verrichten van de openbare verkoping van onroerende goe-deren die behoren tot de nalatenschap en de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Maldegem - Middelburg niet behoren tot het nalatenschapsvermogen van G.C..

Door aldus te oordelen schendt het appelgerecht ook de voormelde artikelen 813 jo 806, lid 1, Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan, in samenhang met artikel 1189, lid 1 en 2 Gerechtelijk Wetboek, de tweede verweerster, slechts kan gemachtigd worden tot het verrichten van de openbare verkoping van onroerende goederen die behoren tot de nalatenschap en de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Maldegem - Middelburg niet behoren tot het na-latenschapsvermogen van G.C..

Het appelgerecht schendt bovendien artikel 1167 Burgerlijk Wetboek. Anders dan het ap-pelgerecht onwettig oordeelt heeft de toepassing van deze bepaling in de voorliggende zaak immers niet tot gevolg dat wanneer de eerste verweerster zou uitwinnen op de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Maldegem - Middelburg, zij dat zou doen in het nalatenschapsvermogen van G.C. (bestreden arrest, p. 7, nr. 3, al. 2). Zoals hierboven (nr. 2.2) aangevoerd, heeft de toepassing van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek immers in de voorlig-gende zaak tot gevolg dat de uitwinning dient te gebeuren in het vermogen van de eiseres en niet in het nalatenschapsvermogen van G.C.. Het appelgerecht oordeelt bijgevolg onwettig en met schending van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek dat wat deze schuldeiser [die met succes een pauliaanse vordering instelde] betreft die goederen immers tot het nalatenschapsvermogen behoren (bestreden arrest, p. 8, al. 3) en dat die uitwinning [door de curator], wat betreft de schuldeiser die met succes de pauliaanse vordering instelde, zich binnen het nalatenschapsvermogen blijft situeren (ibidem, al. 5).

Zowel in het geval dat de uitwinning in de voorliggende zaak dient te geschieden door de eerste verweerster als in het geval dat deze dient te geschieden door de tweede verweerster, dient dit in beide gevallen te gebeuren door uitvoerend beslag op de bedoelde acht niet - vervuilde percelen die zich in het vermogen van de eiseres bevinden overeenkomstig artikel 1560 Gerechtelijk Wetboek minstens door omzetting van bewarend beslag op onroerend goed in uitvoerend beslag op onroerend goed (art. 1491 Ger. W). vermits het onroerend goed zich in het vermogen van de eiseres bevindt. Door niettemin de tweede verweerster te machtigen om de openbare verkoping van de bedoelde acht vervuilde acht percelen te verrichten op grond van artikel 1189 Gerechtelijk Wetboek schendt het appelgerecht ook artikel 1560 Gerechtelijk Wetboek en minstens artikel 1491 van dit wetboek.

Door aldus te oordelen schendt het appelgerecht bovendien het eigendomsrecht van de ei-seres op de bedoelde acht vervuilde percelen en artikel 544 Burgerlijk Wetboek op grond waarvan eigendom het recht is om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen. Door aldus te oordelen schendt het appelgerecht ten slotte de bindende kracht van de eigendomsoverdracht van de bedoelde acht vervuilde percelen door wijlen de heer G.C. aan de eiseres en artikel 1134 Burgerlijk Wetboek op grond waarvan alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet strekken.

Besluit: de in het middel bestreden beslissing die de vordering van de eerste verweerster deels gegrond verklaart en met toepassing van artikel 1189 Gerechtelijk Wetboek de tweede verweerster machtigt als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.C. om in naam van de eerste verweerster de bepaalde acht percelen te gelde te maken middels openbare ver-koop teneinde de opbrengst te kunnen aanwenden tot voldoening van de bepaalde schuld-vordering van de eerste verweerster en een notaris aanwijst om de openbare verkoping door te voeren is niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1189, lid 1 en 2, Ge-rechtelijk Wetboek en 1167 Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig schending van de artikelen 544, 1134 Burgerlijk Wetboek en 1560, minstens 1491, Gerechtelijk Wetboek, zoals hierboven in de grieven gepreciseerd).

TOELICHTING

De eiseres verwijst naar de volgende rechtspraak van uw Hof: Cass. 29 oktober 2015, A.R. nr. C.15.0060.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.7 , www.juridat.be; Cass. 13 maart 2015, A.R. nr. C.14.0415.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150313.4 , www.juridat.be; Cass. 9 februari 2006, A.R. nr. C.03.0074.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.5 , www.juridat.be; Cass. 25 oktober 2001, A.R. nr. C.99.0038.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011025.4 , www.juridat.be; Cass. 15 mei 1992, A.R. nr. 7517, www.juridat.be.

In de rechtsleer die het bestreden arrest citeert in zijn redengeving wordt geponeerd dat en-kel de schuldeiser die de pauliaanse vordering succesvol heeft ingesteld, te dezen de eerste verweerster, het kwestieuze goed kan uitwinnen alsof dit het vermogen van de schuldenaar nooit heeft verlaten, dat dit een fictie is daar ten aanzien van de overige schuldeisers het vermogensbestanddeel niet terugkeert naar het vermogen van de schuldenaar en dat het goed [liever: de pauliaanse schuldeiser] daarom niet in de samenloop komt met de andere schuldeisers van de schuldenaar, die de pauliaanse vordering niet hebben ingesteld (zie o.m. A. LENAERTS, "Over de pauliaanse vordering: draagwijdte van de anterioriteitsvoorwaarde en rechtsgevolgen", TBBR 2009, afl. 10, p. 505, nr. 24. V. SAGAERT, "De gevolgen van de actio pauliana en haar band met de ongerechtvaardigde verrijking", TBBR 2001, p. 575, nr. 8).

De bijdrage van SAGAERT is echter onduidelijk waar hij schrijft: "Indien de zaak zich nog in natura in het vermogen van de derde-verweerder bevindt, wordt deze in de verhouding tot de vorderende schuldeiser terug in het vermogen van de crediteur gebracht. De restitutie ge-beurt met retroactieve werking".

CAUFFMAN valt de voormelde rechtsleer bij en stelt dat indien de actio pauliana gegrond wordt bevonden, de aangevochten rechtshandeling niet - tegenwerpbaar wordt verklaard aan de benadeelde schuldeiser, dat dit impliceert dat de agerende schuldeiser geen rekening dient te houden met de aangevochten handeling en hij erop kan uitvoeren alsof - zo zegt men vaak - het goed dat er het voorwerp van vormde nooit het vermogen van de debiteur had verlaten (C. CAUFFMAN, "Pauliaanse vordering", in E. DIRIX, A. VAN OEVELEN, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. IV, litt. A, nr. V, litt. A). CAUFFMAN voegt er echter op duidelijke wijze aan toe dat dit laatste evenwel enigszins moet worden genuanceerd, dat de schuldei-ser het goed immers zal moeten uitwinnen onder de derde en niet onder de debiteur en dat het de derde is die de beslagene is (ibidem).

LENAERTS valt de stelling bij dat de schuldeiser het goed zal moeten uitwinnen onder de "derde beslagene" en niet onder de schuldenaar (A. LENAERTS, ibidem, p. 503, nr. 20).

In zijn conclusie voor het arrest van uw Hof 29 oktober 2015 (A.R. nr. C.15.0060.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.7 , ibidem) stelt advocaat - generaal A. VAN INGELGEM:

- "Waar het welslagen van de pauliaanse vordering alleen tot gevolg heeft dat de be-streden handeling niet aan de schuldeiser kan worden tegengeworpen, wordt de aangevochten handeling echter niet nietig verklaard en blijft zij dan ook bestaan tus-sen de schuldenaar en zijn medecontractant(en)" (nr. 3);

- "Indien, in de verhouding tussen de schuldeiser en de derde, een pauliaanse vordering wordt ingewilligd en tot de niet - tegenwerpelijkheid van de overdracht wordt besloten, kan de schuldeiser in elk geval uitwinnen op het vermogen van de derde. Een andersluidende beslissing ten aanzien van de schuldenaar, die de voorwaarden van de pauliaanse vordering opnieuw ter discussie stelt, maakt de executie op het overgedragen vermogensbestanddeel, dat zich effectief in het vermogen van de derde bevindt, niet materieel onmogelijk (cf. art. 31 Ger. W.). In de praktijk zal de schuldenaar die niet betrokken werd bij het geding, de voorwaarden van de pauli-aanse vordering pas opnieuw in vraag stellen wanneer de derde-medecontractant, na uitwinning door de schuldeiser, jegens de schuldenaar een vrijwaringsvordering instelt (in de verhouding tussen de schuldenaar en de derde-medecontractant blijft de bedrieglijke rechtshandeling immers bestaan). Op dat ogenblik is de executie door de schuldeiser op het vermogen van de derde echter reeds gebeurd, zodat de gelijktijdige tenuitvoerlegging van tegenstrijdige beslissingen niet materieel onmoge-lijk wordt gemaakt" (voetnoot 9; eigen benadrukking in het citaat).

De eiseres verwijst ten slotte naar de bijdrage van DIRIX en VAN OEVELEN waarin deze au-teurs het volgende stellen, hier samengevat weergegeven. De pauliaanse vordering moet al-leen tegen de derde worden gericht, de tussenkomst van de debiteur is niet noodzakelijk. In de regel beschikt de schuldeiser immers reeds over een uitvoerbare titel, zodat over zijn vor-dering op de debiteur geen discussie meer mogelijk is. Verder heeft de pauliaanse vordering slechts onmiddellijke gevolgen voor de derde. De met succes ingestelde pauliaanse vordering moet toelaten dat beslag wordt gelegd op een goed van de derde of strekt tot veroordeling van de derde tot vervangende schadevergoeding (E. DIRIX en A. VAN OEVELEN, "Kroniek van het verbintenissenrecht (1985 - 1992) (slot)" RW 1992 - 1993, p. 1254, nr. 81).

De omstandigheid dat er een samenloop is ontstaan door de aanwijzing van de curator met toepassing van artikel 1228 Gerechtelijk Wetboek en een collectieve vereffening van het pas-sief voorop staat (M. GOVAERTS, "De aanstelling en de taken van de curator van de onbe-heerde nalatenschap", noot onder Cass. 15 april 2011, RABG 2012, 326, nr. 7, waarnaar het appelgerecht verwijst) doet er in de voorliggende zaak geen afbreuk aan dat het kwestieuze vermogensbestanddeel, namelijk de bedoelde acht niet - vervuilde percelen te Maldegem - Middelburg, zich in het vermogen van de derde, namelijk de eiseres, bevindt en de uitvoering tegen de derde dient te geschieden.

OM DEZE REDENEN

Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de eiseres, dat het u, Hoog-geachte Dames en Heren, behage het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en over de kosten uitspraak te doen naar recht.

Brussel, 12 april 2016

Voor eiseres tot cassatie, haar raadsman,

Bruno Maes

Bijgevoegde stukken:

1. Origineel van de "profisco" verklaring van de waarde van de vordering voor het vaststel-len van het bedrag van het rolrecht;

2. Kopie van het exploot van betekening waarbij de eerste verweerster keuze van woon-plaats doet op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder.

PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170113.4