Belgian court dismisses appeal, ruling marital property benefits do not trigger forfeiture under divorce law.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation rejected the appellant's appeal against a lower court ruling to sell a property and allocate rental income following a divorce. The appellant argued that the lower court erred by not applying forfeiture rules to benefits derived from a pre-marital company share. The court held that such benefits, arising from the marriage contract itself, are not considered 'freedoms' or 'survival benefits' subject to forfeiture under the Civil Code. Consequently, the appeal was dismissed, and the appellant was ordered to pay the costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 299, 1352, and 1452 of the Civil Code; benefits derived from a marriage contract are not subject to forfeiture upon divorce as they do not constitute freedoms or survival benefits.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
Nr. C.12.0380.F
J. W.,
Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
V. R.,
Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 29 september 2011.
Sectievoorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert de volgende twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek;
- de artikelen 299 (zoals het van toepassing was op het ogenblik van de feiten, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 april 2007), 1319, 1320, 1322, 1349, 1352, 1353 en 1452, inzonderheid het eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het arrest "verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en gegrond binnen de hierna bepaalde grenzen; zegt voor recht dat [de verweerster] mede-eigenaar in onverdeeldheid is van de tweeverdiepingenflat met nummer 6/7 B in het flatgebouw ‘Résidence de la Butte aux Bois', gelegen te O., ..., 39-41, op het terrein met (voormalig) kadasternummer afdeling B, nr. 377/R, voor een oppervlakte van dertig are drieënzestig centiare, en dat, bijgevolg: 1. bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen, en aangezien niet wordt betwist dat het goed niet gevoeglijk kan worden verdeeld, dat goed openbaar moet worden verkocht; 2. [de verweerster] - met ingang van 28 februari 2001 (datum waarop de vordering tot echtscheiding is ingesteld) - recht heeft op de helft van de huurgelden (of, in voorkomend geval, van de woonstvergoedingen) van het gebouw te O. na aftrek van de desbetreffende lasten; verwijst de partijen naar de notarissen-vereffenaars opdat laatstgenoemden hun verrichtingen voortzetten, waarbij zij met het voorgaande rekening zullen houden; gelet op de hoedanigheid van de partijen, verdeelt de kosten van de twee aanleggen die, bijgevolg, niet vastgesteld dienen te worden; zegt voor recht dat het hof [van beroep], met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegd is om kennis te nemen van alle mogelijke latere betwistingen die betrekking hebben op de verrichtingen inzake berekening, vereffening en verdeling".
Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen:
"De partijen zijn op 5 december 1997 te Brussel in het huwelijk getreden;
Vóór hun huwelijk zijn zij huwelijksbedingen overeengekomen, waarbij zij gekozen hebben voor het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten en toevoeging van een vennootschap, volgens het contract dat op 1 december 1997 is verleden voor notaris T. en nadien niet meer is gewijzigd;
Uit het huwelijk van de partijen is op 23 april 1999 een kind, N., geboren, waarbij [de verweerster] nog een kind heeft uit een vorig huwelijk;
Bij akte van 28 februari 2001 stelt [de eiser] een vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten in voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. [De verweerster] stelt een tegenvordering in;
Bij vonnis van 25 september 2002 wijst de rechtbank van eerste aanleg de oorspronkelijke vordering [van de eiser] toe, waarbij zij de echtscheiding van de partijen toestaat op grond van (oud) artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, verklaart ze de tegenvordering ontvankelijk en staat zij [de verweerster] bijgevolg toe het bewijs van vijf feiten door middel van getuigen te leveren. De rechtbank stelt daarenboven de notarissen D. en V. aan om de verrichtingen van berekening, vereffening en verdeling van de gemeenschap van goederen te doen en stelt notaris D. aan om de verstek latende of weerspannige partij te vervangen;
Bij arrest van 23 december 2004 bevestigt het hof [van beroep], in substantie, voornoemd vonnis, behalve in zoverre het een van de feiten waarvoor het onder-zoek was toegestaan, herformuleert;
Op tussenkomst van de notarissen-vereffenaars worden de verrichtingen van ver-effening van het huwelijksvermogensstelsel opgestart op 5 december 2005;
Een tussentijds proces-verbaal van beweringen en zwarigheden wordt door de notarissen-vereffenaars opgemaakt op 17 juni 2007 en neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg;
Na die neerlegging spreekt de rechtbank het beroepen vonnis uit;
Thans, voor het hof [van beroep],
- vordert [de eiser] de wijziging van het vonnis en verzoekt hij, in substantie, met name dat voor recht wordt gezegd dat het in het huwelijkscontract van de partijen vervatte beding van inbreng van een tweeverdiepingenflat in de ‘Résidence de la Butte aux Bois', gelegen te O., ... (hierna ‘pand te O.') jegens [de verweerster] vervallen moet worden verklaard overeenkomstig artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek en dat, bijgevolg, [laatstgenoemde] alle uit dat beding van inbreng voortvloeiende voordelen verliest, zowel wat betreft de eigendom zelf van de flat als de inkomsten die hij heeft opgeleverd, en dat met ingang van 28 februari 2001, namelijk de datum van de dagvaarding tot echtscheiding; hij stelt ook een subsidiaire vordering in die ertoe strekt hem akte te verlenen van de vordering die hij voor de eerste rechter heeft ingesteld tot terugbetaling van 68.342,45 euro die hij bij wijze van provisionele uitkering tot levensonderhoud heeft betaald; hij concludeert ten slotte tot de niet-ontvankelijkheid en de ongegrondheid van de vorderingen van [de verweerster];
- [de verweerster] concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert, bij wege van incidenteel beroep, de wijziging van het beroepen vonnis in zoverre het haar veroordeelt om stukken te overleggen, en vordert met name de gerechtelijke verdeling van het pand te O.;
Bespreking
1. Wat betreft het pand te O.
1.1. Voorafgaande opmerkingen
[De eiser], die zich daartoe baseert op voornoemd arrest van 23 december 2004, dat het vonnis van 25 september 2002 bevestigt hetwelk zijn oorspronkelijke, op (oud) artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering tot echtscheiding had toegewezen, beroept zich op (oud) artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek om te betogen dat zijn ex-echtgenote de voordelen heeft verloren die haar waren toegekend ter uitvoering van hun huwelijkscontract: hij leidt daaruit af dat het bij artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verval [de verweerster] elk zakelijk recht op het litigieuze pand ontzegt;
Er moet op worden gewezen dat, in tegenstelling tot wat [de eiser] wil doen geloven, de sanctie die aan [de verweerster] werd opgelegd voor haar gedrag tijdens het huwelijk - een sanctie die wordt bevestigd door de uitspraak van de echtscheiding in haar nadeel - niet mag worden gelijkgeschakeld met de mogelijke gevolgen van die echtscheiding voor de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van de partijen;
Wat dat betreft staat vast dat de partijen huwelijksbedingen zijn overeengekomen die van het gemeen recht afwijken in zoverre die bedingen, krachtens het huwelijkscontract dat op 1 december 1997 is verleden voor notaris T., tussen hen een stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten en toevoeging van een vennootschap hebben ingevoerd;
Luidens voornoemd contract hebben de partijen ‘het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten' aangenomen (artikel 1) maar bepaalt artikel 8 van dat contract daarenboven onder de titel ‘Vennootschap' dat ‘a) de toekomstige echtgenoten, naast het hierboven aangenomen stelsel van de scheiding van goederen, een vennootschap oprichten waarin zij verklaren enkel de hierna aangewezen woning in te brengen. De vennootschap mag geen andere goederen bevatten dan die welke in de plaats worden gesteld van het geheel of een gedeelte van de goederen waaruit zij is samengesteld; b) de toekomstige echtgenoot verklaart eigenaar te zijn van volgend onroerend goed: [het pand te O., dat uitvoeriger wordt beschreven in de akte]; c) de toekomstige echtgenoot verklaart voornoemd pand in te brengen in de vennootschap van aanwinsten, opgericht zoals sub a) is omschreven, onder de volgende voorwaarden, die de toekomstige echtgenote verklaart te aanvaarden: 1. het pand zal alleen al door het voltrekken van het huwelijk in de vennootschap worden ingebracht, onder de gewone rechtsgaranties; 2. de inbreng geschiedt zonder dat er rekeningen tussen de persoonlijke vermogens en het vermogen van de vennootschap ten kosteloze titel moeten worden opgesteld; d) bij de ontbinding van de aldus opgerichte vennootschap, om eender welke reden, zal het vermogen van die vennootschap worden verdeeld volgens de regels van het gemeen recht';
Met toepassing van dat beding is het pand te O., dat vóór het huwelijk een eigen goed [van de eiser] was, ingebracht in de vennootschap die door de partijen is toegevoegd aan hun huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten;
Aangezien voornoemd artikel 8 bepaalt dat het vermogen van de vennootschap, bij ontbinding van die vennootschap, zal ‘worden verdeeld volgens de regels van het gemeen recht', voert [de eiser] aan dat, van die gemeenrechtelijke regels, artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek moet worden toegepast en dat de inbreng van het litigieuze pand in de aan het huwelijksvermogensstelsel toegevoegde vennootschap voor [de verweerster] een ‘voordeel' vormt dat zij verloren heeft ten gevolge van de in haar nadeel uitgesproken echtscheiding;
Hoewel de toepassing van artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek inderdaad kan worden overwogen wegens ontbinding, ten gevolge van de echtscheiding, van de aan het huwelijksvermogensstelsel toegevoegde vennootschap, moet eerst het statuut van het pand te O. worden onderzocht om te beoordelen of het een ‘voordeel' is dat luidens voornoemd artikel kan worden ontzegd;
1.2. Onderzoek van het juridisch statuut van het pand in het licht van de bepalingen van het huwelijkscontract van de partijen
Het staat vast dat de toekomstige echtgenoten aan hun huwelijksvermogensstelsel - in dit geval dus een stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten - een bedongen onverdeeldheid kunnen toevoegen die, ten aanzien van de derden-schuldeisers, als een onverdeeldheid en, in de interne verhouding tussen de echtgenoten, als gemeenschappelijk vermogen zal worden aangemerkt;
Overeenkomstig de gewone gemeenrechtelijke onverdeeldheid zijn alle bepalingen betreffende het gemeenschappelijk vermogen van een huwelijksvermogensstelsel ten aanvullende titel op die onverdeeldheid van toepassing in de interne verhouding tussen de echtgenoten, voor zover ze evenwel de rechten van derden niet aantasten. Zodoende zijn de regels van het wettelijk stelsel van toepassing en kan er tussen de echtgenoten een vermoeden van gemeenschap bestaan; [...]
1.3. Wat betreft de toepassing van artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek op de aan het huwelijksvermogensstelsel van de partijen toegevoegde vennootschap
Luidens artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek heeft de daarin bepaalde sanctie betrekking op de ‘voordelen' die de echtgenoten elkaar bij huwelijkscontract heb-ben toegekend;
Zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak wordt aangenomen dat het verval waardoor de aan de echtscheiding schuldige echtgenoot wordt getroffen, van toepassing is op alle vrijelijkheden: de schenkingen van gelijk welke aard, de con-tractuele erfstellingen en de legaten (op voorwaarde, voor laatstgenoemde vrijelijkheden, dat het testament werd opgemaakt of verleden vóór de overschrijving van het beschikkend gedeelte van de beslissing die de echtscheiding toestaat);
De vraag of de sanctie ook betrekking heeft op de ‘huwelijksvoordelen', dat wil zeggen de voordelen die een van de echtgenoten uit zijn huwelijksstelsel kan verkrijgen, is minder eenduidig;
Welnu, omdat de huwelijksvoordelen ontstaan uit het huwelijkscontract, dat bij uitstek een contract onder bezwarende titel is, heeft de wetgever ze logischerwijs behandeld als voordelen die onder bezwarende titel zijn verkregen, die hoegenaamd niet als vrijelijkheden beschouwd kunnen worden;
Dat vermoeden van ontstentenis van een vrijgevige bedoeling is onweerlegbaar;
Aangezien het pand te O. in de bij het huwelijksstelsel met scheiding van goederen van de partijen toegevoegde vennootschap is ingebracht ter uitvoering van hun huwelijkscontract, volgt uit de voorgaande vaststellingen en overwegingen dat het bij artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek ingevoerde verval niet van toepassing is;
Het feit dat die inbreng ‘ten kosteloze titel' is geschied, zoals het huwelijkscontract vermeldt, of zelfs als ‘schenking', zoals dat door [de verweerster] in haar conclusie is vermeld of zoals dat blijkt uit de redengeving van het arrest dat op 23 december 2004 door het hof [van beroep] is uitgesproken in het kader van de echtscheidingsprocedure van de partijen, doet aan de voorgaande gevolgtrekking niets af aangezien, zoals hierboven is gezegd, de ontstentenis van een vrijgevige bedoeling op onweerlegbare wijze wordt vermoed en, bijgevolg, het bewijs van een mogelijke vrijgevige bedoeling niet kan worden aangenomen;
Hoe dan ook moet hier worden gepreciseerd dat de inbreng van het pand te O. in de bij het huwelijksstelsel van de partijen toegevoegde vennootschap niet kan worden beschouwd als een voordeel dat aan de regels van de schenkingen is onderworpen, aangezien het met name kan gaan om een vergoeding voor huishoudelijk werk of voor het opgeven van een eigen loopbaan;
Bovendien, en ondanks de kritiek die [de eiser] hierop uitoefent, is het dat wat no-taris T. (die het huwelijkscontract heeft verleden en, bijgevolg, de echtgenoten heeft ingelicht over de inhoud ervan), in zijn brief van 26 november 2001 schrijft;
Het voorgaande besluit, volgens hetwelk het bij artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek ingevoerde verval niet kan worden toegepast, wordt overigens door het Hof van Cassatie bevestigd in zijn arrest van 23 november 2001, dat preciseert dat ‘met "voordelen" in de zin van artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek wordt bedoeld, eensdeels, alle schenkingen tussen echtgenoten, anderdeels, de voordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn, met name de bedingen van vooruitmaking en de bedingen van ongelijke verdeling van de huwelijksgemeenschap; dat artikel 229 zodoende niet van toepassing is op de andere voordelen die bij de verdeling ontstaan uit de samenstelling van de huwelijksgemeenschap en derhalve niet op de voordelen die het gevolg zijn van de inbreng van een eigen goed in de huwe-lijksgemeenschap';
De leer van het Hof van Cassatie wordt niet ontkracht door het feit dat de hem toen voorgelegde zaak betrekking had op een huwelijksvermogensstelsel dat dateerde van vóór de wet van 14 juli 1976. Immers, niet alleen heeft het Hof van Cassatie uitspraak gedaan in zeer algemene bewoordingen, maar daarenboven heeft de wet van 14 juli 1976 enkel wijzigingen ingevoerd met betrekking tot het voordeel dat voortvloeit uit een beding van vooruitmaking of van ongelijke verdeling, wat te dezen niet het geval is;
Bovendien wordt het voorgaande besluit niet ontkracht door het feit dat de toen aan het Hof van Cassatie voorgelegde zaak betrekking had op de inbreng in de gemeenschap, door de echtgenoot, van een hem persoonlijk toebehorend pand alsook de hypothecaire lening dat aan dat goed ‘kleefde'. Immers, het moet worden herhaald dat niet alleen het Hof van Cassatie in zeer algemene bewoordingen uitspraak heeft gedaan, maar dat daarenboven geen enkele bepaling toelaat te beweren dat het pand dat bij het verlijden van het huwelijkscontract met een hypotheek bezwaard was, een ander statuut zou genieten dan dat welk vrij is van om het even welke lasten".
Het arrest besluit in substantie hieruit dat de inbreng van het litigieuze pand niet kan worden onderworpen aan de regels betreffende de schenkingen, aangezien het bewijs van een mogelijke vrijgevige bedoeling niet kan worden aangenomen.
Grieven
(...)
Tweede onderdeel (subsidiair)
1. Luidens artikel 1352 van het Burgerlijk Wetboek "ontslaat het wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs. Geen bewijs wordt tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent de gerechtelijke eed en de gerechtelijke bekentenis zal worden bepaald".
Een wettelijk vermoeden wordt als onweerlegbaar beschouwd wanneer de wet, op de grondslag ervan, bepaalde handelingen nietig verklaart of een rechtshandeling verbiedt; in alle andere gevallen moet een vermoeden, in geval van stilzwijgen van de wetgever, worden beschouwd als iuris tantum.
Volgens artikel 1452, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek "kunnen echtgenoten overeenkomen dat de tegenwoordige en toekomstige roerende of onroerende goederen, bedoeld in artikel 1399 (dat wil zeggen eigen goederen), geheel of ten dele tot het gemeenschappelijk vermogen zullen behoren."
Artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het op het ogenblik van de feiten van toepassing was, bepaalt dat "behalve in geval van onderlinge toestemming, de echtgenoot tegen wie de echtscheiding, op welke grond ook, is toegestaan, alle voordelen verliest die de andere echtgenoot hem, hetzij bij hun huwelijkscontract, hetzij sinds het aangaan van het huwelijk, verleend heeft."
Volgens het arrest van het Hof van Cassatie van 23 november 2001 "wordt met 'voordelen' in de zin van artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, eensdeels, alle schenkingen tussen echtgenoten, anderdeels, de voordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn, met name de bedingen van vooruitmaking en de bedingen van ongelijke verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zodoende is die bepaling niet van toepassing op de andere voordelen die bij de verdeling ontstaan uit de samenstelling van de huwelijksgemeenschap."
Noch de tekst van artikel 1452 van het Burgerlijk Wetboek, noch die van artikel 299 van dat wetboek, noch de lezing die het Hof daarvan in zijn rechtspraak geeft, laten toe het bewijs uit te sluiten van het kosteloze karakter van een inbreng die door een van de echtgenoten met een vrijgevige bedoeling is gedaan.
2. Het bestreden arrest overweegt, om de voormelde redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, dat in geval van de inbreng van een eigen goed in het gemeenschappelijk vermogen bij huwelijkscontract, "de ontstentenis van een vrijgevige bedoeling op onweerlegbare wijze wordt vermoed en, bijgevolg, het bewijs van een mogelijke vrijgevige bedoeling niet kan worden aangenomen".
3. Het bestreden arrest, dat een onweerlegbaar karakter toekent aan een vermoe-den van ontstentenis van vrijgevige bedoeling dat kleeft aan de inbreng van een eigen goed in het gemeenschappelijke vermogen in de zin van artikel 1452, inzonderheid het eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, om de toepassing van artikel 299 van dat wetboek te verwerpen, is niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 299, 1352 en 1452, inzonderheid het eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
(...)
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Tweede onderdeel
Artikel 299 Burgerlijk Wetboek, in de versie die op het geschil van toepassing is, bepaalt dat, behalve in geval van onderlinge toestemming, de echtgenoot tegen wie de echtscheiding, op welke grond ook, is toegestaan, alle voordelen verliest die de andere echtgenoot hem, hetzij bij hun huwelijkscontract, hetzij sinds het aangaan van het huwelijk, verleend heeft.
Met ‘voordelen' bedoelt die bepaling, enerzijds, de vrijelijkheden die echtgenoten elkaar toestaan en, anderzijds, de huwelijksvoordelen die tegelijk overlevingsrech-ten zijn.
Zij is derhalve niet van toepassing op de voordelen die ontstaan uit de samenstel-ling van de gemeenschap op het ogenblik van de verdeling en, bijgevolg, uit de inbreng, bij het sluiten van het contract onder bezwarende titel die huwelijkscon-tracten zijn, van een eigen goed in de gemeenschap.
Het bestreden arrest stelt vast dat de partijen "vóór hun huwelijk huwelijksbedin-gen zijn overeengekomen" die tussen hen "het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten en toevoeging van een vennootschap" hebben ingevoerd dat "nadien niet meer is gewijzigd"; dat de eiser, bij huwelijkscontract, in die vennootschap het hem persoonlijk toebehorende litigieuze pand heeft inge-bracht, en dat artikel 8 van die overeenkomst bepaalt dat "het vermogen van de vennootschap, bij ontbinding van die vennootschap, zal ‘worden verdeeld volgens de regels van het gemeen recht'".
Het arrest, dat overweegt dat, "omdat de huwelijksvoordelen, dat wil zeggen de voordelen die een van de echtgenoten uit zijn huwelijksstelsel kon verkrijgen, ont-staan uit het huwelijkscontract, dat bij uitstek een contract onder bezwarende titel is, de wetgever ze logischerwijs heeft behandeld als voordelen die onder bezwa-rende titel zijn verkregen, die hoegenaamd niet als vrijelijkheden beschouwd kun-nen worden", steunt op het toepassingsgebied van artikel 299 Burgerlijk Wetboek afgeleid uit de begripsomschrijving die het van de huwelijksvoordelen geeft, en verantwoordt aldus naar recht zijn beslissing om het in dat artikel bepaalde verval niet toe te passen op het litigieuze pand.
De andere overwegingen van het arrest waartegen het onderdeel opkomt, zijn bij-gevolg overtollig.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
(...)
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door sec-tievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, raadsheer Didier Batselé, de sectie-voorzitters Albert Fettweis en Martine Regout, raadsheer Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 12 januari 2017 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van sectievoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.
De griffier, De sectievoorzitter,
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170112.1