Belgian court dismisses appeal claiming fixed appeal deadlines for parole requests violate human rights.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation rejected the applicant's cassation appeal challenging the execution court's decision to set a fixed deadline for future parole requests. The applicant argued that this deadline, set before his final release date, effectively denied him any reasonable chance to benefit from electronic monitoring or conditional release, constituting inhuman treatment under Article 3 of the ECHR. The court held that such a fixed deadline does not amount to inhuman treatment and that no legal provision requires the court to align the deadline with the anticipated duration of the application process or the final release date. Consequently, the appeal was dismissed, and the applicant was ordered to bear the costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3 and 6 ECHR; Article 149 of the Constitution; Articles 49 to 52, 54, and 57 of the Execution of Punishment Act: Setting a fixed deadline for a new request for a penalty execution modality does not constitute inhuman or degrading treatment, as no legal provision mandates alignment with the anticipated duration of the application process.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.16.1280.F
M. Y.,
Mr. Nicolas Cohen, advocaat bij de balie te Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 7 december 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Eric de Formanoir heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 49 tot 52, 54 en 57 Wet Strafuitvoering.
De eiser voert aan dat de strafuitvoeringsrechtbank, omdat ze de datum waarop hij een nieuw verzoek tot toekenning van elektronisch toezicht of voorwaardelijke invrijheidstelling kan indienen op 6 december 2017 heeft bepaald, terwijl zijn de-finitieve invrijheidstelling op 17 april 2018 is bepaald, hem de facto elk redelijk uitzicht heeft ontnomen op een mogelijkheid om nog de voormelde uitvoerings-modaliteiten te kunnen genieten voordat hij zijn gevangenisstraf volledig zal heb-ben ondergaan. Volgens de eiser maakt het feit dat een gedetineerde aldus elke re-ele mogelijkheid op elektronisch toezicht of voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ontnomen, een onmenselijke of vernederende behandeling uit. Het middel verwijt de rechtbank ook dat ze, gelet op die omstandigheden, haar beslissing met betrekking tot het bepalen van de datum waarop een nieuw verzoek tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kan worden ingediend, niet met redenen heeft omkleed.
Artikel 3 EVRM bepaalt: "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen".
Onder foltering of onmenselijke behandeling, in de zin van artikel 3 EVRM, wordt elke daad begrepen waarbij opzettelijk hevige pijn of ernstig lichamelijk of moreel leed wordt toegebracht. Onder vernederende behandeling wordt elke daad begrepen die bij degene die ze ondergaat, in de ogen van derden of van het slacht-offer, een zware vernedering of het verlies aan waardigheid veroorzaakt.
Het vonnis stelt vast dat de eiser een vrijheidsstraf van zes jaar ondergaat en be-slist om hem geen elektronisch toezicht en voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen omdat er tegenaanwijzingen voorhanden zijn in verband met het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten.
Wanneer de strafuitvoeringsrechtbank heeft beslist dat een nieuw verzoek tot toe-kenning van een strafuitvoeringsmodaliteit slechts kan worden ingediend na af-loop van een door haar vastgestelde termijn waarvan het maximum bij wet is be-paald, levert de omstandigheid dat de kans bestaat dat dit verzoek niet zal kunnen worden onderzocht vooraleer de straf is verstreken, geen onmenselijke of vernede-rende behandeling op.
Geen enkele wets- of verdragsbepaling verplicht de strafuitvoeringsrechtbank om de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kan indienen, te bepalen in functie van de voorzienbare duur van de behandeling van die aanvraag of de datum waarop de straf verstrijkt.
Artikel 57, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt: "Indien de strafuitvoerings-rechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Onder voorbehoud van artikel 54, § 2, derde lid, is deze termijn maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar be-draagt".
De vermelding van de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan in-dienen, is onlosmakelijk verbonden met de beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit en de motivering van die beslissing. De wet verplicht de rechtbank niet om, bij ontstentenis van een specifieke conclusie dienaangaande, de termijn die zij binnen de grenzen van het voormelde artikel bepaalt bijzonder met redenen te omkleden.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door raadsheer Benoît Dejemeppe, waarnemend voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Eric de Formanoir, Tamara Konsek en Frédéric Lugentz, en in openbare terechtzitting van 11 januari 2017 uitgesproken door waarnemend voorzitter Benoît Dejemeppe, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vander-meersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.2