Cassation court dismisses appeal regarding misappropriation conviction based on bank power of attorney interpretation.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation rejected the appellant's cassation appeal against a conviction for misappropriation of trust. The lower court found that a bank power of attorney granted the appellant authority to manage and dispose of funds without requiring a specific written agreement on their destination. The court upheld this interpretation, ruling that the appellant's declaration regarding fund allocation did not constitute a binding contract under civil law principles. Consequently, the conviction for misappropriation was maintained as the appellant acted within the scope of the granted authority.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 491 of the Criminal Code; Articles 1347 and 1348 of the Civil Code: A power of attorney granting management and disposal authority does not require a separate written agreement on fund destination to be valid, and a declaratory statement by the agent does not automatically constitute a binding contract defining the use of funds.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.16.0380.N
P P L S,
beklaagde,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest.
tegen
W V,
burgerlijke partij,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 29 februari 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek, artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1341 Burgerlijk Wet-boek: het arrest oordeelt dat de verleende bankvolmacht de eiser niet toeliet de op de financiële rekening van de verweerder beschikbare gelden te eigen bate aan te wenden of zomaar af te halen van zijn financiële rekening; uit deze volmachten blijkt dat de eiser met die rekening verrichtingen mocht stellen en dat die be-voegdheid betrekking had op daden van zowel beheer als beschikking; er wordt evenwel in deze volmachten geen aanduiding gegeven over de concrete bestem-ming van de gelden die tussen de partijen zou zijn overeengekomen; de appelrech-ters stellen enkel vast dat er volmachten werden verleend op de financiële reke-ningen van de verweerder en dat de eiser verrichtingen mocht uitvoeren op deze rekening; zij stellen niet vast dat overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht tussen partijen een overeenkomst is gesloten over de juiste besteding die aan de betrokken gelden moest worden gegeven; de appelrechters verklaren het misdrijf van misbruik van vertrouwen bewezen op grond van het bestaan van de door de verweerder aan de eiser gegeven volmacht zonder vast te stellen dat de eiser de betrokken gelden die hij overeenkomstig de volmacht zowel in het kader van be-heer als van beschikking mochten aanwenden, niet heeft aangewend voor het doel dat in een schriftelijke overeenkomst zou zijn overeengekomen; over dit doel be-staat betwisting tussen partijen, zodat de appelrechters zich naar de regels van het burgerlijk recht moesten gedragen en moesten nagaan of de eiser heeft gehandeld in strijd met het schriftelijk bepaalde doel, waartoe de betrokken gelden moesten worden aangewend.
2. Overeenkomstig artikel 1984, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is een lastge-ving of volmacht een handeling waarbij een persoon aan een andere de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Dit brengt met zich mee dat wanneer ingevolge de volmacht de volmachtdrager het precair bezit van gel-den heeft, die overeenkomst inhoudt dat hij daarvan geen eigenaar wordt en die gelden in de regel niet te eigen bate, maar enkel in het belang van de volmachtge-ver mag beheren.
3. Het arrest (ro 4.3.1.5.b) oordeelt dat aan de eiser volmacht werd verleend en dat de eiser daardoor het precair bezit had van de gelden die het voorwerp uitma-ken van de telastlegging. Het oordeelt verder dat de eiser deze gelden niet te ei-gen bate mocht aanwenden en dus niet zomaar mocht afhalen van de rekening waarop hij volmacht had en hij geen eigenaar van de gelden werd. Aldus verant-woordt het arrest de beslissing naar recht, zonder dat het daartoe bijkomend moet vaststellen dat de eiser en de verweerder in een afzonderlijke overeenkomst over de bestemming van deze gelden afspraken hebben gemaakt.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de verleende bankvolmacht de eiser niet toeliet de op de financiële rekening van de verweerder beschikbare gelden te eigen bate aan te wenden of zomaar af te halen van zijn financiële rekening; aldus geeft het arrest aan de volmachtdocumenten een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het de bewijskracht van het volmachtfor-mulier van de Centea-bank, van de handtekeningenkaart van de ING-bank en van de volmacht bij deze bank.
5. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoer-de onwettigheid en bijgevolg niet ontvankelijk.
Derde onderdeel
6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1347 en 1348 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat met betrekking tot de bestemming die aan de gel-den moest worden gegeven de eiser bekend heeft dat deze aan de verweerder moesten worden toegestuurd en verwijst daarvoor naar een door de eiser aan de onderzoekers op 21 november 2010 afgelegde verklaring; in zoverre deze verkla-ring moet worden beschouwd als een bekentenis in de zin van de artikelen 1354 tot en met 1356 Burgerlijk Wetboek is de bestreden beslissing niet naar recht ver-antwoord; de appelrechters stellen immers niet vast dat geen begin van bewijs door geschrift aanwezig was of dat het niet mogelijk was zich een schriftelijk be-wijs te verschaffen.
7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat eisers verklaring het bewijs oplevert van een tussen de eiser en de verweerder afgesloten overeenkomst over de bestemming van de gelden op de financiële rekeningen waarop de eiser volmacht had.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Vierde onderdeel
8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1354 tot en met 1356 Burgerlijk Wetboek: het arrest heeft ten onrechte eisers bekentenis gesplitst; in de betrokken verklaring heeft de eiser immers ook verklaard zijn eerdere verklaring te hebben willen corrigeren in de zin dat hij niet het volledige bedrag heeft toege-stuurd, doch een gedeelte dat hem en zijn ouders toekwam heeft bijgehouden; de appelrechters nemen ten onrechte enkel het deel van eisers verklaring in aanmer-king over het afhalen van het geld van de rekening bij ING en het toesturen ervan aan de verweerder.
9. Het onderdeel is volledig afgeleid uit de in het derde onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 97,41 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 januari 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
V. Kosynsky I. Couwenberg E. Francis
A. Lievens P. Hoet P. Maffei
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170110.2