Belgian Supreme Court dismisses cassation on procedural fairness regarding non-void documents in criminal proceedings.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Belgian Court of Cassation rejected the appellants' challenge to a lower court's handling of documents declared void in criminal proceedings. The appellants argued that the Chamber of Investigation failed to explicitly decide on the future use of these documents, violating their right to a fair trial and defense. The court held that the Chamber's discretion to determine the fate of void documents is not subject to nullity unless a party explicitly requests a specific ruling on their continued use.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 235bis, § 6 Wetboek van Strafvordering; The Chamber of Investigation's discretion to determine the fate of documents declared void does not require an explicit ruling on their continued use unless a party explicitly requests such a determination to protect their right to a fair trial.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.14.0856.N
1. S V D,
inverdenkinggestelde,
2. E P,
inverdenkinggestelde,
eisers,
met als raadslieden mr. Philippe Libeert, advocaat bij de balie te Veurne, en mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie te Brugge,
tegen
1. A L,
burgerlijke partij,
2. G G,
burgerlijke partij,
3. D V,
burgerlijke partij,
verweerders.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 april 2014.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
II. VOORAFGAANDE PROCEDURE
Bij arrest van 12 mei 2015 heeft het Hof:
- de cassatieberoepen verworpen in de mate dat ze gericht waren tegen de niet-definitieve beslissingen waarbij de eisers werden verwezen naar de correctio-nele rechtbank en hun verzoek tot opschorting van de uitspraak van de veroor-deling werd afgewezen;
- het eerste middel dat verband hield met de redelijke termijn verworpen;
- voor het overige de uitspraak opgeschort totdat het Grondwettelijk Hof bij pre-judiciële beslissing de volgende prejudiciële vraag heeft beantwoord:
"Schendt het artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM en met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, in zo-verre dit artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering er sinds de wijziging ervan door de wet van 14 december 2012 in voorziet dat de kamer van inbeschuldi-gingstelling - met inachtneming van de rechten van de andere partijen - oordeelt in welke mate de ter griffie neergelegde nietigverklaarde stukken nog in de straf-procedure door een partij mogen worden ingezien en aangewend, en zulks nu:
- hierdoor een niet redelijk te verantwoorden onderscheid lijkt tot stand gebracht te worden tussen de partijen die reeds aanwezig waren voor het onder-zoeksgerecht op het ogenblik dat dit tot de zuivering der nietigheden overging en het in het kader daarvan ook bepaalde in welke mate de nietigverklaarde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij, en de partijen die pas nadien in de hangende strafzaak worden be-trokken;
- hierdoor een niet redelijk te verantwoorden onderscheid lijkt tot stand gebracht te worden tussen de partijen die aanwezig zijn in een strafprocedure waarbij het onderzoeksgerecht tot de zuivering van de nietigheden overging en het in het kader daarvan ook bepaalde in welke mate de nietigverklaarde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij, en de partijen die aanwezig zijn in de strafprocedure waarin dergelijke zuivering zich niet voordeed;
- de mogelijkheid tot het volledig uitsluiten van bewijsgegevens, dit is ook voor de beklaagde als bewijselement à décharge, ook in het algemeen strijdig lijkt zowel met het recht op het eerlijk proces uit artikel 6 EVRM, als met het recht van verdediging."
Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 102/2016 van 30 juni 2016 de prejudi-ciële vraag beantwoord.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Tweede middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toe-passelijk, evenals miskenning van het recht op een eerlijk proces en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat bepaalde stukken nietig worden verklaard; het oordeelt verder dat die stukken "niet meer door de partijen zullen mogen aangewend worden in de verdere rechtspleging" omdat zij vertrouwelijke informatie bevatten van mede-inverdenkinggestelden die kaderen in de vertrouwensrelatie advocaat-cliënt; aldus passen de appelrechters artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering waardoor de wetgever deze be-voegdheid heeft toevertrouwd aan de onderzoeksgerechten in plaats van aan de vonnisgerechten, toe dat zelf artikel 6 EVRM schendt en het algemeen rechtsbe-ginsel van het recht van verdediging miskent; dit verbod sluit immers uit dat de eisers de nietigverklaarde stukken nog geheel of gedeeltelijk kunnen aanwenden tot hun verdediging voor de feitenrechter alhoewel zij daarvoor dienstig kunnen zijn.
2. Artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, in de hier toepasselijke versie, bepaalt:
"Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, na het verstrijken van de termijn van cassatieberoep. De kamer van inbe-schuldigingstelling oordeelt, met in achtneming van de rechten van de andere partijen, in welke mate de ter griffie neergelegde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij. De kamer van inbeschul-digingstelling geeft in haar beslissing aan, aan wie de stukken moeten worden te-ruggegeven, dan wel wat er gebeurt met de nietigverklaarde stukken."
3. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 102/2016 van 30 juni 2016 voor recht gezegd dat het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag geen antwoord be-hoeft en dat artikel 235bis, § 6, voorlaatste zin, Wetboek van Strafvordering de ar-tikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, niet schendt.
4. Dit oordeel is gesteund op de volgende overwegingen:
- het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag behoeft geen antwoord aange-zien het aangevoerde verschil in behandeling tussen eensdeels partijen die reeds in de strafprocedure betrokken zijn op het ogenblik dat de kamer van in-beschuldigingstelling de nietigheid op grond van deze bepaling uitspreekt en anderdeels partijen die pas nadien in de strafprocedure betrokken zijn, in de voorliggende procedure niet aan de orde is (B.5);
- artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de rechtspleging in het stadium van het op-sporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, gaf aan de kamer van inbe-schuldigingstelling de bevoegdheid om door artikel 131 Wetboek van Straf-vordering bedoelde onregelmatige handelingen nietig te verklaren, waarbij de nietigverklaarde stukken uit het dossier werden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg (B.6.1-6.2);
- artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering werd door de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvorde-ring en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de procedu-regebonden bemiddeling in familiezaken met de volgende zin aangevuld: "De ter griffie neergelegde stukken mogen niet worden ingezien, en mogen niet in de strafprocedure worden aangewend." Met die aanvulling beoogde de wetgever een einde te maken aan de rechtsonzekerheid die ingevolge de rechtspraak over de draagwijdte van de gevolgen van de nietigverklaring van bewijselementen was ontstaan en dit door te voorzien in een eenduidige oplossing die alle betrokkenen in het opzicht van het bewijsrecht identiek behandelt (B.6.4);
- bij arrest nr. 86/2002 van het Arbitragehof van 8 mei 2002 werd die aanvulling vernietigd omdat volgens het Arbitragehof de absolute onmogelijkheid om voor de rechter ten gronde nietigverklaarde handelingen aan te wenden niet in verhouding staat tot het doel rechtsonzekerheid te vermijden, het op absolute en algemene wijze bepalen dat de door een onderzoeksgerecht nietigverklaarde stukken niet meer mogen worden ingezien en in de strafprocedure niet meer worden aangewend, zelfs niet wanneer zij elementen bevatten die onontbeerlijk kunnen zijn voor de verdediging van een partij, op onevenredige wijze afbreuk doen aan het recht van verdediging, en, ten slotte dat het mogelijk is om de met de wet van 4 juli 2001 beoogde doelstellingen te verzoenen met de vereisten van een eerlijk proces door erin te voorzien dat een rechter beoordeelt in welke mate de eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat een partij nie-tigverklaarde stukken kan aanwenden, daarbij erover wakend de rechten van de andere partijen niet te schaden (B.6.5);
- gelet op dit arrest heeft de wetgever met de wet van 14 december 2012 tot ver-betering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie artikel 235bis Wetboek van Strafvordering als volgt aange-vuld: "De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt, met in achtneming van de rechten van de andere partijen, in welke mate de ter griffie neergelegde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij. De kamer van inbeschuldigingstelling geeft in haar beslissing aan, aan wie de stukken moeten worden teruggegeven, dan wel wat er gebeurt met de nietigverklaarde stukken" (B.6.6);
- de wetgever heeft aan de kamer van inbeschuldigingstelling uitdrukkelijk op-gedragen om bij krachtens artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, zo-als aangevuld, genomen beslissing de rechten van alle partijen in acht te nemen, wat inhoudt dat dit onderzoeksgerecht de inzage en het gebruik van nie-tigverklaarde stukken kan uitsluiten, zelfs wanneer die voor de inverdenking-gestelde bewijselementen a décharge bevatten, maar enkel in zoverre zulks verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging (B.9);
- tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling staat cassatiebe-roep open, zodat het Hof van Cassatie erover zal kunnen waken dat de kamer van inbeschuldigingstelling door te beslissen in welke mate de nietigverklaarde stukken nog kunnen worden ingezien en aangewend in de strafprocedure geen inbreuk pleegt op het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging (B.9);
- artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering doet bijgevolg niet op discri-minerende wijze afbreuk aan het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging (B.10).
5. Daaruit volgt dat het arrest artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering kon toepassen zonder schending van de vermelde bepalingen en miskenning van de vermelde algemene rechtsbeginselen.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de nietigverklaarde stukken in deze zaak door geen enkele partij in de verdere rechtspleging nog mogen worden gebruikt; door op die manier te verbie-den dat de stukken nog mogen worden aangewend door de strafrechtelijk ver-volgde partijen om hun verdediging te voeren en hun onschuld aan te tonen, mis-kent het arrest hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging.
7. De eisers hebben geen hoedanigheid om de beslissing aan te vechten in de mate dat ze betrekking heeft op andere vervolgde partijen.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
8. Uit artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling die op grond van die bepaling heeft beslist tot de nietig-verklaring van stukken, hun verwijdering uit het strafdossier en hun neerlegging ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, verplicht is te oordelen in welke mate deze stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aange-wend en dit rekening houdend met de rechten van partijen en de verenigbaarheid met het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. De kamer van in-beschuldigingstelling maakt die afweging onaantastbaar in feite.
9. Alleen in het geval een partij uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat de verdere inzage en de aanwending van de nietigverklaarde stukken noodzakelijk is voor het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, moet de kamer van inbe-schuldigingstelling uitdrukkelijk deze afweging doen en de gronden waarop ze is gebeurd vermelden.
10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers zich weliswaar in hun appelconclusie hebben verzet tegen de door het openbaar minis-terie gevraagde wering van de kwestieuze stukken uit het strafdossier, maar niet dat zij hebben aangevoerd dat indien de kamer van inbeschuldigingstelling tot we-ring zou overgaan, zij diende te bepalen dat de eisers nog steeds inzage zouden kunnen nemen van die stukken en ze kunnen aanwenden.
11. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie van de eisers diende het arrest niet uitdrukkelijk te vermelden waarom er werd beslist dat de nietigver-klaarde, uit het strafdossier te verwijderen en ter griffie van de rechtbank van eer-ste aanleg neer te leggen stukken, niet meer door de eisers mochten worden inge-zien en aangewend.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Derde middel
12. Het middel voert schending aan van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Straf-vordering: het arrest laat na uitspraak te doen over de bestemming die aan de nie-tigverklaarde stukken moet worden gegeven; dit leidt tot de nietigheid van de overeenkomstig artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering gewezen beslis-sing.
13. De verplichting voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkom-stig artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering heeft beslist tot de nietigheid van stukken en hun verwijdering uit het strafdossier en de neerlegging heeft bevo-len ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, om de bestemming te bepalen van deze stukken, is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het verzuim over die bestemming te beslissen is zonder gevolg voor de beslissing over de nie-tigheid van de stukken, de verwijdering ervan en de neerlegging ervan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, alsmede voor de beslissing om al dan niet nog de inzage en de aanwending van deze stukken toe te staan.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen
14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 117,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 januari 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170110.1