Court of Cassation allows appeal against environmental fine ruling for unclear obligation scope.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation allowed the appeal against a first-instance ruling imposing a fine on Groupe Promo for failing to submit a remediation plan. The appellants argued the fine was too broad, covering any measure rather than just the specific plan, and that the underlying obligation was impossible to fulfill. The court found the lower court erred in law by expanding the fine's scope beyond the specific statutory requirement without sufficient justification.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 1385bis and 1385quinquies of the Judicial Code; strict interpretation of enforcement orders requires the underlying obligation to be clearly defined to avoid reasonable doubt regarding the scope of the penalty.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.16.0843.F
1. IMMO WALL, bvba e.a.,
Mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, en als raadsman Mr. Ma-rino Santarelli, advocaat bij de balie te Bergen,
tegen
DIRECTEUR-GENERAAL van het directoraat-generaal Landbouw, Na-tuurlijke hulpbronnen en Milieu,
Mr. Jean-François Cartuyvels, advocaat bij de balie te Luxemburg,
in aanwezigheid van
WAALS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn regering, in de persoon van de minister bevoegd voor natuurlijke hulpbronnen en milieu,
Mr. Jean-François Cartuyvels, advocaat bij de balie te Luxemburg.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 29 juni 2016.
De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Tamara Konsek heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
Het middel voert schending aan van de artikelen 1385bis en 1385quinquies Ge-rechtelijk Wetboek, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 42 Waals de-creet van 27 juni 1996, D.157, § 1 en 2, Waals Milieuwetboek en de artikelen 37, 85, 86, 87, 95 en 99, Waals decreet van 5 december 2008 betreffende het bodem-beheer, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de strikte uit-legging van de vonnissen in strafzaken en de strikte toepassing van het strafrecht.
Het arrest doet uitspraak over de vordering tot herziening van een bij vonnis van de correctionele rechtbank Charleroi van 10 januari 2013 bevolen maatregel tot betaling van een dwangsom om de uitvoering te verzekeren, door de rechtsvoor-ganger van de eiseressen, de naamloze vennootschap Groupe Promo, van de ver-plichting om een saneringsplan in te dienen met het oog op de sanering van de plaats waarvan zij de eigenaar was.
De eiseressen verwijten de appelrechters te hebben beslist dat de dwangsom niet alleen betrekking had op het indienen van een saneringsplan maar op elke andere maatregel die krachtens het Waals decreet van 5 december 2008 kon worden aan-gewend, niettegenstaande dat decreet niet in het voormelde vonnis wordt ver-meld. Zij voeren bovendien aan dat een dwangsom enkel kan worden opgelegd wanneer de veroordeling, sensu stricto, niet ten uitvoer kan worden gelegd.
Artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek staat de rechter toe om op vordering van een van de partijen, de wederpartij te veroordelen tot betaling van een geldsom, voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan.
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffen-de de dwangsom volgt dat dit een dwangmiddel is in de vorm van een bijkomende veroordeling. De titel waarbij deze wordt bevolen, moet bijgevolg strikt worden uitgelegd.
Daaruit volgt dat de verplichting waarin de hoofdveroordeling bestaat, duidelijk de handeling moet omschrijven die het vonnis wil opleggen, zodat de draagwijdte van dat bevel bij de veroordeelde geen redelijke twijfel kan doen ontstaan.
Het vonnis van 10 januari 2013 veroordeelt de naamloze vennootschap Groupe Promo om de plaats te saneren door het zich daar bevindende asbestafval op te ruimen en daartoe een saneringsplan in te dienen bij de Waalse Afvalstoffendienst binnen zes maanden na de betekening van het vonnis, alsook tot een dwangsom van honderd euro per dag vertraging bij het indienen van dat plan.
Dat saneringsplan werd bedoeld in artikel 42 van het decreet van 27 juni 1996, opgeheven bij artikel 87 van het Waals decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer, dat in werking is getreden op 6 juni 2009. Dat decreet voert overigens twee onderzoeksfases in, het oriënteringsonderzoek om de eventuele aanwezigheid van een verontreiniging in de bodem op te sporen en het karakteri-seringsonderzoek dat het bestaan bevestigt van een bodemverontreiniging door, desgevallend, de nadere regels voor de sanering te schetsen.
Artikel D.157, § 1, decreet van 5 juni 2008 betreffende de opsporing, de vaststel-ling, de vervolging en de beteugeling van milieuovertredingen en de herstelmaat-regelen inzake leefmilieu bepaalt dat de rechter binnen de door hem bepaalde ter-mijn opdracht kan geven tot hetzij de uitvoering van inrichtingswerken, hetzij het herstel van de plaats in haar vorige staat of in een staat waarin ze geen gevaar meer vertoont of geen hinder meer vormt voor het leefmilieu of de gezondheid van de mens. Volgens artikel D.157, § 2, 1°, van dat decreet kan de rechter de overtreder veroordelen tot de overlegging, op zijn kosten, van een studie om de geschikte veiligheids- of herstelmaatregelen te bepalen.
Het arrest stelt vast dat de veroordeling tot overlegging van het saneringsplan ge-grond was op artikel D.157, § 2 van het decreet van 5 juni 2008. Het oordeelt dat die verplichting als een algemene verplichting tot sanering van de plaats moet worden beschouwd, ongeacht of dit een plan dan wel een studie wordt genoemd en dat de eiseressen, gelet op de context van de zaak, niet kunnen aanvoeren dat de naamloze vennootschap Groupe Promo in de onmogelijkheid verkeerde een voorafgaandelijk plan of voorafgaandelijke studie over te leggen, ongeacht de vorm, met het oog op de sanering van de plaats door opruiming van het asbest.
De appelrechters, die de veroordeling tot het betalen van een dwangsom aldus uit-breiden tot de verplichting om eender welke aan de sanering van de plaats vooraf-gaande maatregel in te dienen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.
De eiseressen hebben er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aan-zien van de daartoe voor het Hof opgeroepen partij.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat deze over aan de verwijzingsrech-ter.
Verklaart het arrest bindend ten aanzien van het Waals Gewest.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door raadsheer Benoît Dejemeppe, waarnemend voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Eric de Formanoir, Tamara Konsek en Frédéric Lugentz, en in openbare terechtzitting van 4 januari 2017 uitgesproken door waarnemend voorzitter Benoît Dejemeppe, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170104.2