Belgian court dismisses appeal where defendant failed to prove new defense arguments before appellate judges.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation rejected the appellant's cassation appeal regarding a conviction for drunk driving. The appellant argued that the specific charge of drunk driving was not included in the original indictment and that he did not voluntarily appear for this specific charge before the appellate court. The court found that the appellant only contested the reclassification and claimed lack of voluntary appearance, failing to demonstrate he raised the specific defense that the new charge was entirely absent from the original proceedings. Consequently, the appeal was deemed inadmissible as it did not meet the procedural requirements for raising new defenses at the appellate stage.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 149 of the Constitution and 6.3 ECHR; A cassation appeal based on a new defense argument is inadmissible if the appellant failed to present that specific argument to the appellate court.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.15.0541.N
Kurt Georges August BOS, geboren te Geel op 5 oktober 1964, wonende te 3000 Leuven, Naamsestraat 85/0006,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Peter Segers, advocaat bij de balie Limburg.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlands-talig correctionele rechtbank te Brussel van 18 maart 2015.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer dat het feit van dronken sturen niet was opgenomen in de oorspronkelijke dagvaarding en dat hij ervoor evenmin vrijwillig is verschenen.
2. Noch uit eisers appelconclusie noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat het feit van dronken sturen niet was opgenomen in de oorspronkelijke dagvaarding. De eisers heeft enkel aangevoerd dat hij de heromschrijving betwistte en opgemerkt dat hij voor die telastlegging niet vrijwillig is verschenen.
3. Het bestreden vonnis diende dan ook niet te antwoorden op het door het middel bedoelde verweer.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
4. Het middel voert schending aan artikel 6.3 EVRM en de artikelen 145 en 147 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor dronken sturen, terwijl hij voor dit feit niet werd gedagvaard en hij evenmin er-voor vrijwillig is verschenen; de oorspronkelijke telastlegging van inbreuk op ar-tikel 8.3, eerste lid, Wegverkeersreglement omvat niet dezelfde feiten als dronken sturen; de rechter mag bij een herkwalificatie niet verwijzen naar feitelijke gedra-gingen die niet bij hem aanhangig zijn gemaakt.
5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de eerste rechter door de heromschrij-ving zich heeft uitgesproken over een ander feit dan het aanhangig gemaakte feit.
Het middel is nieuw en bijgevolg onontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 71,01 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 3 januari 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.
F. Adriaensen S. Berneman P. Hoet
A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.6