Belgian court dismisses appeal regarding retroactive application of surrender measures under Article 7 ECHR.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation rejected the appellant's cassation appeal against a decision converting a government surrender order into a court-ordered surrender. The appellant argued that Article 7 of the ECHR prohibited applying new surrender conditions retroactively to a final conviction from an older law. The court held that Article 7 does not bar the execution of a definitive judgment under previous law, even if current rules would prevent a new surrender order. Consequently, the appeal was dismissed and the appellant ordered to pay costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 7 ECHR; Article 34ter and 34quater Criminal Code; Article 23 Law on Protection of Society: The principle of non-retroactivity does not prevent the execution of a definitive judgment pronounced under previous law, even if current legislation would no longer allow a surrender order.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.16.1270.N
L H V E,
veroordeelde tot vrijheidsstraf, terbeschikkinggestelde van de strafuitvoerings-rechtbank,
eiser,
met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie te Mechelen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis van de Nederlandstalige strafuit-voeringsrechtbank te Brussel van 5 december 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, de artikelen 34ter en 34quater Strafwetboek en artikel 23 Wet Bescherming Maatschappij: het vonnis oordeelt ten onrechte dat artikel 7.1 EVRM niet van toepassing is op de uitvoering van een in kracht van gewijsde getreden veroordeling uitgesproken onder een vroeger geldende wet; op de datum van het vonnis bevond de eiser, die werd ter beschikking gesteld van de regering op grond van artikel 23 Wet Bescherming Maatschappij, zich niet in de voorwaarden om op grond van de artikelen 34ter en 34quater Strafwetboek ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank te wor-den gesteld; wanneer bij het verstrijken van de hoofstraf wordt vastgesteld dat een veroordeelde zich niet meer in de op dat ogenblik geldende wettelijke voorwaarden bevindt om een terbeschikkingstelling uit te spreken, kan die bijkomende straf niet meer worden uitgesproken of uitgevoerd.
2. Artikel 7.1 EVRM bepaalt: "Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin kan een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was."
3. Die bepaling is van toepassing op de strafvervolging waarin er nog geen einduitspraak is. Zij is niet van toepassing op de uitvoering van een definitieve veroordeling uitgesproken onder vigeur van de vroegere wet en die kracht van gewijsde heeft en bijgevolg ook niet op een definitieve veroordeling tot een bij-komende straf, die slechts wordt uitgevoerd bij het einde van de hoofdstraf.
4. Artikel 7.1 EVRM belet dan ook niet dat de strafuitvoeringsrechtbank zich volgens de thans geldende regels voor een terbeschikkingstelling van de strafuit-voeringsrechtbank uitspreekt over de uitvoering van een eertijds op grond van ar-tikel 23, tweede lid, Wet Bescherming Maatschappij bevolen terbeschikking-stelling van de regering, ook al is thans op grond van de artikelen 34ter en 34quater Strafwetboek een terbeschikkingstelling in dat specifiek geval niet meer mogelijk.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede middel
Eerste onderdeel
5. Het middel voert schending aan van artikel 12 van de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (hierna Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank) en artikel 95/2, § 1 en § 2, Wet Strafuitvoering: het vonnis zet ten onrechte de op 30 juni 1987 opgelegde terbeschikkingstelling van de regering om in een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank; er is immers geen overgangsregeling bepaald voor per-sonen aan wie een terbeschikkingstelling van de regering was opgelegd, die nog niet in uitvoering was; artikel 12 Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoerings-rechtbank waarnaar het vonnis verwijst, bepaalt dit niet.
6. Artikel 11 Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank, die krach-tens artikel 13 in werking is getreden op 1 januari 2012, heft het hoofdstuk VII van de Wet Bescherming Maatschappij, waaronder artikel 23, tweede lid, op.
7. Artikel 12 Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank bepaalt: "Bij de inwerkingtreding van deze wet worden de dossiers van de ter beschikking van de regering gestelden waarin de minister van Justitie hetzij een beslissing tot internering, hetzij een beslissing tot invrijheidstelling op proef heeft genomen ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de strafuitvoe-ringsrechtbanken. De minister maakt de dossiers over aan de griffier van de be-voegde strafuitvoeringsrechtbank. Ingeval van een invrijheidstelling onder toezicht is de strafuitvoeringsrechtbank van de woonplaats, of bij gebreke daarvan, van de verblijfplaats van de ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde be-voegd."
8. Uit deze bepalingen volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank vanaf 1 januari 2012 uitsluitend bevoegd is met betrekking tot de uitvoering van de maatregel van de terbeschikkingstelling van de regering. Niet is vereist dat een specifieke over-gangsbepaling de strafuitvoeringsrechtbank de bevoegdheid zou verlenen om een terbeschikkingstelling van de regering om te zetten in een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de rede-nen die het vonnis bevat, beantwoordt het niet eisers verweer dat artikel 12 Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank geen overgangsregeling bepaalt die van toepassing is op de eiser.
10. Met de redenen die het vonnis (p. 3) bevat, beantwoordt het het door het onderdeel bedoelde verweer.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing
11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 3 januari 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.
F. Adriaensen S. Berneman P. Hoet
A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.5