Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.4 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal claiming execution court violated presumption of innocence by relying on non-final conviction.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.4
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation rejected the appellant's cassation appeal challenging the execution court's refusal of conditional release. The appellant argued that the execution court violated the presumption of innocence by relying on a prior conviction lacking the force of res judicata. The court held that such reliance does not constitute a violation because the execution court does not adjudicate guilt for the new charges but assesses recidivism risk based on established facts.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 6.2 of the European Convention on Human Rights; The execution court's reliance on a non-final conviction to assess recidivism risk does not violate the presumption of innocence as it does not determine guilt for the new charges.

Mots-clés

Généré par l'IA
presumption of innocence execution court jurisdiction recidivism assessment non-final conviction conditional release refusal European Convention rights cassation appeal dismissal moyens

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 6.2 of the European Convention on Human Rights
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Nr. P.16.1249.N

A I,

veroordeelde tot een vrijheidsstraf,

eiser,

met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 2 december 2016.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Voorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis wijst eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot elektronisch toezicht af en steunt daartoe op informatie vervat in het vonnis van de correctionele rechtbank van 25 november 2016 die de eiser veroordeelt tot straf, veroordeling die geen kracht van gewijsde heeft en waartegen de eiser hoger beroep heeft ingesteld; hierdoor miskent het bestreden vonnis het vermoeden van onschuld.

2. De enkele omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechtbank steunt op informatie vervat in een vonnis dat geen kracht van gewijsde heeft en dat de veroordeelde wegens nieuwe strafbare feiten veroordeelt, om daaruit aanwijzingen af te leiden over het gedrag van de veroordeelde en het recidivegevaar alsmede om op die grond te besluiten tot de afwezigheid van een voldoende veilig reclasseringsplan en de noodzaak bijkomend onderzoek te doen over de risicotaxatie en de reclasseringsmogelijkheden, levert geen miskenning van het vermoeden van onschuld op. Immers, in dat geval neemt de strafuitvoeringsrechtbank geen standpunt in over de schuld van de veroordeelde aan de nieuwe feiten die hem worden ten laste gelegd.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Het bestreden vonnis oordeelt dat het de strafuitvoeringsrechtbank niet behoort uitspraak te doen over de vraag of de eiser strafbare feiten heeft gepleegd, maar dat het vonnis van de correctionele rechtbank van 25 november 2016 nieuwe informatie bevat die de strafuitvoeringsrechtbank en de psychosociale dienst niet bekend was en die sterke aanwijzingen bevat van een ernstig agressieprobleem en een groot gevaar voor recidive in gewelddadige feiten waarvoor bijzondere begeleiding nodig is. Het leidt daaruit af dat bijkomend onderzoek en een nieuwe risicotaxatie nodig is en dat er thans geen voldoende veilig risicobeperkend reclasseringsplan voorhanden is. Door op die grond eisers verzoeken tot voorwaardelijke invrijheidsstelling en elektronisch toezicht af te wijzen, miskent het bestreden vonnis geenszins het vermoeden van onschuld, maar is de beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 3 januari 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen S. Berneman P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.4