Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.3 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal claiming unfair trial and lack of motivation regarding traffic offense statute of limitations.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.3
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation rejected the appellant's cassation appeal challenging a lower court's decision on the statute of limitations for a traffic offense. The appellant argued the lower court failed to properly motivate its findings and violated fair trial rights by disregarding late testimony. The court ruled that the lower court correctly applied the presumption of guilt under the Road Traffic Act and that no further motivation was required for the statute of limitations determination.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1 and 6 ECHR; Article 149 Constitution; Article 67bis Road Traffic Act: A court decision is not irregular if it relies on a presumption of guilt without further motivation, provided the decision is based on reliable evidence and respects the right to a fair trial.

Mots-clés

Généré par l'IA
statute of limitations presumption of guilt road traffic offense fair trial rights lack of motivation evidence reliability cassation appeal falsification des timbres officiels de valeur

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 1 and Article 6 ECHR
Article 149 of the Constitution
Article 67bis of the Road Traffic Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Nr. P.15.0308.N

E I M D N J,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Michael Wallace, advocaat bij de balie te Dendermonde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep (nummer 466) van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 22 januari 2015.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1 en 6 EVRM, alsmede van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis oordeelt dat de strafvordering niet verjaard is, dat het voertuig waarmede de overtreding werd gepleegd, bestuurd was door de eiseres en het niet aannemelijk is dat de getuige zich kan herinneren dat hij met het voertuig reed; deze beslissingen zijn niet naar behoren gemotiveerd; aldus stellen de appelrechters zich in de plaats van de getuige en hebben ze de eiseres niet toegelaten hen anders of beter in te lichten.

2. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 1 EVRM schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

3. Anders dan het middel aanvoert, oordeelt het bestreden vonnis niet dat de houder van de nummerplaat aan de verbalisanten heeft laten weten dat het voer-tuig werd bestuurd door de eiseres.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

4. Een onjuiste beoordeling en het feit dat de rechter anders oordeelt dan een partij aanvoert, leveren mogelijks een schending van de wet op, maar geen moti-veringsgebrek.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, is de rechter niet ertoe gehouden zijn beslissing dat de verjaring van de strafvordering niet is ingetreden, nader te motiveren.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. Artikel 67bis Wegverkeerswet voert een vermoeden van schuld in voor de titularis van de nummerplaat van een voertuig waarmede een overtreding van die wet is gepleegd, maar waarvan de bestuurder niet geïdentificeerd werd. Dat ver-moeden kan door elk middel van recht worden weerlegd en daartoe kan de rechter alle feitelijke gegevens die hem door de betrokkene worden voorgelegd in aan-merking nemen, waarvan hij de bewijswaarde onaantastbaar beoordeelt mits eer-biediging van het recht op een eerlijk proces, wat vereist dat hij de betrouwbaar-heid van dit bewijs kan beoordelen. Zo kan hij bepaalde gegevens en bewijsmid-delen verwerpen omdat hij die op grond van de feitelijke gegevens die hij ver-meldt, zoals de omstandigheden waarin ze worden voorgelegd, ongeloofwaardig acht. Dit levert geen miskenning van het recht op een eerlijk proces noch van het recht op wapengelijkheid op.

7. De appelrechters oordelen dat vermits een afschrift van het proces-verbaal met antwoordformulier reeds op 25 juni 2013 naar de eiseres werd verzonden, zonder dat hierop van harentwege enige reactie kwam, ze geen geloof hechten aan haar uiterst laattijdige verklaring dat haar partner de bestuurder zou geweest zijn. Ze oordelen ook dat het eveneens ongeloofwaardig is dat de getuige zich zo lang na de inbreuk zou herinneren dat hij die bewuste dag met het voertuig van de eise-res zou gereden hebben. Aldus stellen de appelrechters zich niet "eigengereid" in de plaats van de eiseres en de getuige, maar beoordelen ze met opgave van rede-nen onaantastbaar de betrouwbaarheid van het voorgestelde bewijsmiddel en oor-delen bijgevolg dat het verhoor van die getuige niet noodzakelijk is daar dit het bij artikel 67bis Wegverkeerswet bepaalde vermoeden niet kan weerleggen. Aldus miskennen ze geenszins het recht van verdediging en het recht op een eerlijk pro-ces van de eiseres noch haar recht het tegenbewijs van het vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet te leveren, noch het beginsel van de wapengelijkheid, maar is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op 64,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 3 januari 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen S. Berneman P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.3