Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.1 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal against urban planning restoration order, upholding proportionality principle.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.1
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation rejected the appellants' challenges to a restoration order issued by the Urban Planning Inspectorate. The appellants argued that the lower court failed to properly weigh future burdens against spatial order benefits, focusing only on the crime itself. The court ruled that the appellate judges correctly considered both the nature of the violation and its future impact on the environment, thereby validating the restoration measure as proportional.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 146 and 149, § 1, Urban Planning Decree 1999; Articles 6.1.1, 6.1.41, § 1 and § 3, and 6.1.46 Flemish Spatial Planning Code: A restoration order is lawful if the court balances the benefit to spatial order against the burden on the obligor, considering both the nature of the violation and its future impact.

Mots-clés

Généré par l'IA
urban planning restoration proportionality principle spatial order balance future burden assessment criminal violation impact infractions contre les devoirs de fonction agents de police extrait du casier judiciaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 146 and 149, § 1, Urban Planning Decree 1999
Articles 6.1.1, 6.1.41, § 1 and § 3, and 6.1.46 Flemish Spatial Planning Code

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
18 November 2002
- met het arrest van 18 november 2002 reeds was beslist dat zonder vergunning een bestaande chalet gedeeltelijk werd afgebroken en een grotere constructie werd opgericht, die geen dienst meer doet als weekendverblijf maar wel als permanente bewoning;
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Nr. P.16.0582.N

I

1. D J,

beklaagde,

2. B E N,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Martin Denys, advocaat bij de balie te Brussel,

II

1. D J, reeds vermeld,

beklaagde,

2. B E N, reeds vermeld,

beklaagde,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woon-plaats kiezen,

alle cassatieberoepen tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant, met kantoor te 3000 Leu-ven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93,

eiser tot herstel,

verweerder,

met als raadsman mr. Philippe Declercq, advocaat bij de balie te Leuven, met kan-toor te 3320 Hoegaarden, Gemeenteplein 25, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 april 2016.

De eisers doen afstand van hun cassatieberoep I.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 146 en 149, § 1, Steden-bouwdecreet 1999 en de artikelen 6.1.1, 6.1.41, § 1 en § 3, en 6.1.46 Vlaamse Co-dex Ruimtelijke Ordening: het arrest verantwoordt de beslissing over de evenre-digheid tussen de last die de gevorderde herstelmaategel voor de eisers meebrengt en het belang van een goede ruimtelijke ordening niet naar recht; het arrest betrekt bij die beoordeling van de last die het gevorderde herstel meebrengt voor de eisers enkel het plegen van het misdrijf zelf en de bewoning van de chalet in afwachting van het te bevelen herstel zonder evenwel na te gaan in welke mate dit herstel in de toekomst voor de eisers een last met zich zal meebrengen die al dan niet op-weegt tegen het belang van een goede ruimtelijke ordening door het bevolen her-stel; het feit dat de herstelmaatregel een gevolg is van het plegen van het misdrijf zelf en het gegeven van de bewoning van het betrokken onroerend goed tussen het plegen van het misdrijf en het werkelijke herstel zijn feitelijke omstandigheden die een logisch gevolg zijn van het misdrijf zelf, maar die geen verband houden met de beoordeling van de last die de herstelmaatregel concreet voor de eisers veroorzaakt.

2. De rechter oordeelt in beginsel onaantastbaar of de last die een herstelmaat-regel voor de herstelplichtige met zich meebrengt wel in een redelijk verband staat tot het voordeel dat die maatregel oplevert voor de goede ruimtelijke ordening. Bij die beoordeling mag de rechter wel degelijk rekening houden met het voordeel dat de herstelplichtige heeft genoten door de onwettige toestand en de duur ervan.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Het arrest oordeelt dat:

- met het arrest van 18 november 2002 reeds was beslist dat zonder vergunning een bestaande chalet gedeeltelijk werd afgebroken en een grotere constructie werd opgericht, die geen dienst meer doet als weekendverblijf maar wel als permanente bewoning;

- de herstelvordering is gesteund op het motief dat de druk op de omgeving die bestemd is als landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gelegen bij een na-tuurgebied, door de wederechtelijke constructie is vergroot;

- de oorspronkelijke houten chalet met de bestemming van een weekendverblijf is gewijzigd in een grotere constructie die als permanente woning dienst doet en welke in een tweede bouworde is gelegen, waardoor de impact op de omge-ving in aanzienlijke mate is vergroot;

- de herstelvordering steunt op motieven met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening en op een opvatting die redelijk is;

- het verweer van de eisers dat de herstelvordering strijdig is met het evenredig-heidsbeginsel niet kan worden bijgetreden;

- er weliswaar veel tijd is verstreken sinds het instellen van de herstelvordering in 1997, maar de motieven van de herstelvordering, namelijk de grote druk die ontstaat op het landschappelijk waardevol gebied door vergroting van de oor-spronkelijke constructie en door de bestemming als permanente woning, nog steeds actueel zijn;

- er door de verplichting om de constructie af te breken uiteraard een last voor de eisers ontstaat, maar deze voornamelijk is te wijten aan hun eigen beslissing om het weekendverblijf onvergund te vergroten en permanent te bewonen en in afwachting van de uitspraak langdurig voordeel te blijven behalen uit de door henzelf gecreëerde onwettige toestand.

4. Met die redenen, waaruit blijkt dat de appelrechters niet alleen het plegen van het misdrijf zelf en de bewoning van de chalet in afwachting van het te beve-len herstel bij hun afweging hebben betrokken maar ook de last in de toekomst, verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het belang van een goede ruimtelijke ordening door de uitvoering van de herstelmaatregel opweegt tegen de last die voor de eisers eruit voortvloeit en de herstelvordering dan ook niet strijdig is met het evenredigheidsbeginsel.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 146 en 149, § 1, Steden-bouwdecreet 1999 en de artikelen 6.1.1, 6.1.41, § 1 en § 3, en 6.1.46 Vlaamse Co-dex Ruimtelijke Ordening: het arrest dat bij de beoordeling van het gevorderde herstel veeleer steunt op de aard van de door de eisers begane inbreuk dan op de beoordeling of door de herstelmaatregel de goede ruimtelijke ordening wordt be-vorderd, verantwoorden de inwilliging van de herstelvordering niet naar recht; de rechter dient vooral rekening te houden met de impact van de bewezen inbreuk en het gevorderde herstel op de goede ruimtelijke ordening; het arrest kon op grond van de uiterst summier gemotiveerde herstelvordering van de verweerder die lou-ter betrekking heeft op de aard van de overtreding, samen gelezen met de vaststel-ling door het arrest dat de herstelvordering is gesteund op het motief dat de druk op de omgeving door de wederrechtelijke constructie is vergroot, niet besluiten tot de redelijkheid van de herstelvordering.

6. Uit het geheel van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onder-deel, volgt dat het arrest de beoordeling van het gevorderde herstel niet uitsluitend steunt op de aard van de door de eisers begane inbreuk maar wel degelijk de impact van de bewezen verklaarde inbreuk en de gevorderde herstelmaatregel op de goede ruimtelijke ordening bij die beoordeling heeft betrokken. Aldus is de beslissing dat de herstelvordering redelijk is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen I.

Verwerpt de cassatieberoepen II.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 112,81 euro, waarvan 56,40 euro verschuldigd is voor cassa-tieberoep I en 56,41 euro voor cassatieberoep II.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 3 januari 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen S. Berneman P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170103.1