ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.3 · Cour de cassation
Synthèse Legislator
Généré par l'IAHet cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 29 april 2014. Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 24 november 2016 een conclusie neergelegd ter griffie.
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.3 · Cour de cassation: Krachtens artikel 1675/13bis, § 2, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, als blijkt dat geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, en wanneer de bemid-delaar deze vaststelling opneemt in het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal, met een met redenen omkleed voorstel dat de toekenning van een totale kwijtschelding van de schulden rechtvaardigt en de eventuele maatregelen die er naar zijn mening mee gepaard moeten gaan, de totale kwijtschelding van de schulden toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4.
Texte complet
Nr. S.14.0075.F
GEMEENSCHAPPELIJK WAARBORGFONDS, voorheen Gemeenschappe-lijk Motorwaarborgfonds,Motorwaarborgfonds Gemeenschappelijk Motorwaar
Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. N. L.,
2. STAD THUIN,
3. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,
4. CENTRE HOSPITALIER JOLIMONT-LOBBES vzw,
5. WAALS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn regering,
6. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,
7. P. R.,
8. D. R.,
9. L. B.,
10. EDF LUMINUS nv,
11. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN van LOBBES,
12. VESTING FINANCE nv,
13. DE VERENIGDE VERZEKERDEN nv,
14. E. H..
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 29 april 2014.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 24 november 2016 een conclusie neergelegd ter griffie.
Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1375/13 [lees: 1675/13], inzonderheid § 3, 2°, en 1375/13bis [lees: 1675/13bis], § 2, van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 19bis-14, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
- de artikelen 1349, 1350, 1351 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het arrest, dat het hoger beroep van de eerste verweerder gegrond verklaart, vernietigt het vonnis van de eerste rechter, wijzigt het en zegt daarmee voor recht dat de door dat vonnis bevolen kwijtschelding van de schulden ook van toepassing is op de schuldvordering van de eiser en veroordeelt laatstgenoemde tot de kosten in hoger beroep en verwijst de zaak naar de eerste rechter voor de verdere rechtspleging, op grond van de volgende redenen:
"(De eerste verweerder) was op 3 oktober 2002 betrokken bij een verkeersongeval dat aan meerdere personen lichamelijke schade heeft toegebracht.
Hij werd bij vonnis van de politierechtbank te Charleroi van 2 oktober 2003 volledig aansprakelijk gesteld voor het verkeersongeval; dat vonnis veroordeelt hem hoofdelijk met (de eiser) (die vrijwillig is tussengekomen aangezien de schuldenaar niet verzekerd was) tot het vergoeden van de getroffenen (sommige veroordelingen zijn provisioneel uitgesproken).
De (eiser) heeft op 26 juni 2009 bij de schuldbemiddelaar een verklaring van schuldvordering ingediend voor een provisioneel bedrag van 4.370,27 euro. Hij heeft naderhand bijkomende verklaringen van schuldvordering ingediend.
(De eiser) voert aan dat zijn schuldvordering betrekking heeft op vergoedingen die betaald werden voor het herstel van de lichamelijke schade van de getroffenen van het verkeersongeval, waarvoor het vonnis van 2 oktober 2003 (de eerste verweerder) volledig aansprakelijk heeft gesteld, en hij door de betaling van die vergoedingen van rechtswege in de rechten van die getroffenen treedt, met toepassing van artikel 19bis-14 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
Het [arbeids]hof deelt dat standpunt niet, op grond van de hierna uiteengezette redenen.
De gevolgen van de indeplaatsstelling worden weliswaar niet betwist maar, bij het afwegen van de positie van een indeplaatsgestelde (...) en een indeplaatssteller, geeft het Hof van Cassatie voorrang aan de indeplaatssteller, door de klemtoon te leggen op het aanvullende karakter van de aan het Fonds (tot vergoeding van de in Geval van Sluiting van Ondernemingen Ontslagen Werknemers) opgelegde verplichting (Cass., 23 december 1982, AC, 1982-83, I, 555, 9 november 1990, AC, 1990-91, 290). Aldus moeten volgens het Hof de eisen van de indeplaatsgestelde beoordeeld worden al naargelang van de specifieke bedoeling van de wetgever die de bijzondere indeplaatsstelling heeft uitgevaardigd en volgens het opzet van de wet (J.-P. Nijs en A.-C. Van Gysel, 'Existe-t-il des subrogations spécifiquement sociales?', J.T.T., 1987, p. 363 en volgende).
Uit de parlementaire voorbereiding van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 blijkt echter dat, over het algemeen, de wetgever tot doel had het gebrek aan dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorvoertuigen, een sector waarin de verzekering verplicht werd gesteld, te verhelpen; daartoe heeft hij voorzien in de oprichting van een Gemeenschappelijk Waarborgfonds dat tot taak heeft de schade te vergoeden die in de in artikel 80 bedoelde gevallen door een motorvoertuig is veroorzaakt (Gedr. St., Senaat 1970-1971, nr. 269, p.48). (...)
De zorg van de wetgever bestond dus erin enkel de schadeloosstelling te garande-ren van de slachtoffers van een verkeersongeval (Arbitragehof, 28 maart 2002 [nr. 65/2002]).
Die bezorgdheid blijkt ook uit artikel 1675/13, §3, tweede streepje, van het Ge-rechtelijk Wetboek, aangezien het verbod op kwijtschelding van de schulden voor de schadevergoeding toegestaan voor de vergoeding van een lichamelijk letsel veroorzaakt door een misdrijf gerechtvaardigd is om redenen van billijkheid, in die zin dat het onrechtvaardig zou zijn om de getroffene van een misdrijf dat de fysieke integriteit van laatstgenoemde heeft aangetast, de gehele schadeloosstelling (waarop) hij recht heeft, te ontzeggen (Gedr. St., Senaat, 1997-1998, nr. 1-929/5, p. 46).
Aldus streven de wetgeving die het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds heeft opgericht en artikel 1675/13, §3, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek hetzelfde doel na, namelijk de getroffene van een ongeval de vergoeding van zijn schade garanderen. Aangezien die doelstelling bereikt is, wordt op grond van de leer van het Hof van Cassatie, voorrang verleend aan de indeplaatssteller, in dit geval dus aan de getroffene, zodat het voorrecht dat (de eiser) door de indeplaatsstelling geniet, geen bestaansreden meer heeft.
Uit een arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 december 2012 blijkt daarenboven dat de wetgever het verbod op kwijtschelding van de vergoedingen voor de vergoeding van lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf heeft willen beperken tot het enkele geval waarin de getroffene het voordeel van zijn schuldvordering rechtstreeks van de dader van het misdrijf terugvordert. In dat arrest heeft het Hof immers geoordeeld dat 'artikel 1675/13, § 3, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het van toepassing is op de dader van het misdrijf of van het als misdrijf omschreven feit maar niet op de persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt door die dader voor wie hij overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek moet instaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt' (arrest nr. 162/2012).
Ook het Hof van Cassatie heeft in een recent arrest geoordeeld (...) dat uit artikel 1675/13bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1675/13, § 3, van datzelfde wetboek niet volgt dat 'de rechter van de collectieve schuldenregeling geen kwijtschelding zou kunnen verlenen voor de schulden van de schuldenaar die het gevolg zijn van een veroordeling tot een strafrechtelijke boete (...) wanneer die maatregel nodig is om de betrokkene en diens gezin een leven te laten leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid' (Cass., 18 november 2013, AR, 2013, nr. S.12.0138.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131118.5 ).
Het arbeidshof sluit zich, op grond van de voorgaande overwegingen, aan bij de heersende rechtsleer, namelijk dat de wettelijke tekst niet van toepassing is (op de eiser) die in de rechten van de getroffene treedt (in die zin, J.-L. Denis, M.-C. Boonen, S. Duquesnois, 'Le règlement collectif de dettes', Kluwer, 2010, p. 110)".
Grieven
Artikel 1675/13 bepaalt het volgende:
"§ 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder de volgende voorwaarden :
- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar (...). De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;
- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid.
Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
§ 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel 51 is niet van toepassing.
§ 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :
- de onderhoudsgelden die nog verschuldigd zijn op de datum van de beslissing waarbij de [gerechtelijke] aanzuiveringsregeling wordt opgelegd;
- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;
- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillis-sement".
Artikel 1675/13bis bepaalt bovendien dat de rechter, op een met redenen omkleed voorstel, vervat in het door de bemiddelaar opgestelde proces-verbaal bedoeld in artikel 1675/11, § 1, "in dergelijk geval de totale kwijtschelding van de schulden kan toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4".
Hoewel het plegen van een strafbaar feit niet als dusdanig belet om tot de proce-dure van de collectieve schuldenregeling te worden toegelaten, aangezien de strafbare oorsprong van de schuldenlast niet automatisch een reden vormt om het voordeel van de collectieve schuldenregeling ontzegd te worden, en de aard van de schuld als dusdanig geen invloed heeft op de mogelijkheid om die collectieve schuldenregeling aan te vragen, blijft het niettemin een feit dat die procedure niet werd ingesteld om een delinquent de mogelijkheid te bieden aan de gevolgen van zijn daden of tekortkomingen te ontsnappen en de schade niet te vergoeden die veroorzaakt werd door de misdrijven begaan door de schuldenaar waartoe laatstgenoemde werd veroordeeld.
Aldus, ontzegt artikel 1675/13, §3, tweede streepje, de schuldenaar het voordeel van de collectieve schuldenregeling als hij een inbreuk op de strafwet heeft begaan dat een derde lichamelijke schade heeft berokkend en hij veroordeeld werd die te vergoeden maar, omdat die uitsluiting automatisch en zonder voorbehoud is, moet ze zorgvuldig worden onderscheiden van de uitsluiting van de schuldenaar wiens bedoeling het is om, door het bewerken van zijn onvermogen, te ontsnappen aan de financiële gevolgen (geldboeten, terugbetalingen of schadevergoedingen buiten de aantasting van de fysieke integriteit van de getroffene) van een strafrechtelijke veroordeling, en moet die bedoeling worden bewezen door de schuldeiser die aanspraak maakt op de verwerping van de collectieve schuldenregeling.
Hoewel de door artikel 1675/13, § 3, tweede streepje, bepaalde uitsluiting strikt moet worden uitgelegd, zodat ze enkel betrekking heeft op de dader van het misdrijf (ook al wordt hij niet strafrechtelijk vervolgd) die een derde lichamelijke schade heeft berokkend en die uitsluiting niet kan worden verruimd tot de burgerrechtelijke aansprakelijke van die dader en tot de dwangsom die hem wordt opgelegd voor het misdrijf dat de schade heeft veroorzaakt, aangezien de burgerrechtelijk aansprake de schade die hij moet vergoeden uit hoofde van die hoedanigheid, immers niet persoonlijk door een strafrechtelijk feit heeft veroorzaakt, terwijl de geldboete geen betrekking heeft op de vergoeding van de schade, is het zaak dat de belangen van de getroffene en de eerbiediging van de hem verschuldigde menselijke waardigheid de mogelijkheid tot kwijtschelding geheel uitsluiten.
In dat opzicht doet het er niet toe dat een derde, krachtens de wet of een overeenkomst, verplicht wordt de getroffene van een lichamelijk letsel veroorzaakt door een door de schuldenaar gepleegd misdrijf te vergoeden, aangezien de aard van de vergoeding (en bijgevolg, de schuld van de delinquent) hierdoor niet gewijzigd wordt omdat de vordering die deze sanctioneert, is ingesteld door de getroffene zelf of door de derde die hem volledig heeft vergoed in de plaats van de oorspronkelijke schuldenaar en die bijgevolg in de plaats wordt gesteld in de rechten, vorderingen en voorrechten van die getroffene.
Artikel 19bis-14, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt echter het volgende: "in de gevallen bepaald in artikel 19bis -11, § 1, treedt het Fonds, in zoverre het de schade heeft vergoed, in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke personen en eventueel tegen hun verzekeraars".
En artikel 19bis-11 bepaalt:
"§ 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt : (...)
8° wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden."
Het doet er niet toe dat het verweer dat aldus wordt ingesteld in het voordeel van de eiser eerder een "quasi-indeplaatsstelling" is dan een wettelijke indeplaatsstelling sensu stricto in de zin van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek: wanneer de wetgever een beroep doet op het mechanisme van de quasi-indeplaatsstelling, brengt deze, behoudens uitdrukkelijke tegengestelde bepaling, alle gevolgen van de wettelijke indeplaatsstelling, zonder beperking, teweeg. En dat is het geval voor het door de eiser uitgeoefende verhaal, voor zover zijn tussenkomst in het voordeel van de getroffene noodzakelijk is, hetgeen in dit geval niet betwist werd.
De betaling met (quasi-)indeplaatsstelling heeft tot gevolg dat de schuldvordering van de indeplaatssteller zelf, met alle kenmerken vandien, bijkomende kenmerken, voorrechten, hypotheken, waarborgen en alle andere bijzonderheden, wordt overgedragen aan de indeplaatsgestelde.
De indeplaatsgestelde, die de indeplaatssteller in een gegeven rechtsverhouding vervangt, moet door de uitwerking van de indeplaatsstelling precies worden be-schouwd als de indeplaatsgestelde in wiens rechten hij treedt.
De indeplaatsgestelde oefent geen persoonlijke rechten uit maar de rechten van de indeplaatssteller die hij door de indeplaatsstelling verkregen heeft: wanneer hij in rechte optreedt, oefent hij geen vordering die te onderscheiden is van de vordering van de getroffene, maar oefent hij met een afzonderlijke vordering, de vordering uit van de getroffene in wiens rechten hij is getreden met toepassing van artikel 19-14, § 1, van de wet van 21 november 1989.
En het doet er niet toe dat de rechten van de indeplaatsgestelde daarenboven "subsidiair" zijn ten aanzien van die van de indeplaatssteller, aangezien dat aspect enkel een weerslag heeft als de indeplaatssteller niet geheel werd vergoed door de indeplaatsgestelde en niet tot gevolg heeft dat de indeplaatsgestelde het voordeel van de indeplaatsstelling en de uitwerking ervan wordt ontzegd.
Artikel 19-14, § 1, van de wet van 21 november 1989 is duidelijk en bevat geen enkele andere voorwaarde of beperking dan de verplichte vergoeding, door de eiser, van de getroffene van een verkeersongeval waarin een voertuig waarvan de aansprakelijkheid door geen enkele verzekering geldig gedekt is en dan van zijn tussenkomst ten gunste van die getroffene. Men dient zich te houden aan de duidelij-ke tekst van de wet, en [geen enkele] verklaring [die] tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet werd gedaan, mag voorrang krijgen.
Hetzelfde geldt voor artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter verbiedt een schuld kwijt te schelden voor de vergoeding van lichamelijk letsel ontstaan uit een misdrijf, aangezien het er niet toe doet dat het recht op vergoeding wordt uitgeoefend door de getroffene zelf of door een derde die, door de vergoedingen die hem werden uitbetaald, volledig in de rechten van die getroffene is getreden.
Daaruit volgt dat het arrest, dat beslist dat de eiser, aangezien hij enkel in de rechten en in de rechtsvorderingen van de getroffenen is getreden voor de licha-melijke schade die zij hebben geleden als gevolg van inbreuken op de strafwet waarvoor de eerste verweerder veroordeeld werd, voor zijn schuldvordering geen beroep kan doen op het voordeel van artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek en dat de kwijtschelding van de schulden die door het vonnis van de [eerste rechter] van 5 maart 2013 werd bevolen, ook daarop van toepassing is, alle in het middel bedoelde bepalingen schendt.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Krachtens artikel 1675/13bis, § 2, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, als blijkt dat geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, en wanneer de bemid-delaar deze vaststelling opneemt in het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal, met een met redenen omkleed voorstel dat de toekenning van een totale kwijtschelding van de schulden rechtvaardigt en de eventuele maatregelen die er naar zijn mening mee gepaard moeten gaan, de totale kwijtschelding van de schulden toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4.
Volgens artikel 1675/13, § 3, tweede streepje van datzelfde wetboek, kan de rech-ter geen kwijtschelding verlenen voor de schulden die een schadevergoeding in-houden, toegestaan voor de vergoeding van lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf.
Daaruit volgt dat een schuld die een schadevergoeding inhoudt toegestaan voor de vergoeding van lichamelijke schade veroorzaakt door een door de bemiddelde begaan misdrijf niet kan worden kwijtgescholden, ongeacht of diegene die aan-spraak kan maken op de daarmee overeenstemmende schuldvordering de persoon is wiens fysieke integriteit is aangetast dan wel de derde die hem vergoed heeft en in de rechten tegen de bemiddelde is getreden.
Het arrest stelt vast dat "[de eerste verweerder] op 3 oktober 2002 betrokken was bij een verkeersongeval dat aan meerdere personen lichamelijke schade heeft toe-gebracht", dat "hij bij vonnis van de politierechtbank van Charleroi van 2 oktober 2003 volledig aansprakelijk werd gesteld voor het verkeersongeval", en dat, aangezien de eerste verweerder niet verzekerd was, de eiser die, intussen in het geding was tussengekomen, hoofdelijk met hem werd veroordeeld om de getrof-fenen te vergoeden.
Het stelt ook vast dat de eiser, na de getroffenen te hebben uitbetaald, zijn schuld-vorderingen bij de schuldbemiddelaar heeft aangegeven en dat "de gevolgen van de indeplaatsstelling niet worden betwist".
Het arrest, dat oordeelt dat het door artikel 1675/13, § 3, tweede streepje, bepaalde verbod, beperkt is "tot het enkele geval waarin de getroffene het voordeel van zijn schuld rechtstreeks van de dader van het misdrijf terugvordert" en "niet van toepassing is [op de eiser] die in de rechten van de getroffene treedt" en op die grond beslist dat de kwijtschelding van de schulden toegestaan door de eerste rechter "ook van toepassing is op de schuldvordering [van de eiser], schendt die wettelijke bepaling.
In zoverre is het middel gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijke vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beoordeling daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door sectie-voorzitter Christian Storck, als voorzitter, de raadsheren Mireille Delange, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 januari 2017 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Bo-dy.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Vanessa Van de Sijpe.
De griffier, De raadsheer,
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.3