Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.2 Généré par l'IA

Court rejects third-party objection inadmissibility based on business registry non-registration for defense filings.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.2
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation dismissed the appeal against a lower court ruling that declared a third-party objection inadmissible due to the defendant's failure to register in the Business Registry. The appellants argued that Article 14 of the Business Registry Act mandates automatic inadmissibility for any enforcement-related document lacking a business number, regardless of whether it is a claim or a defense. The court held that this statutory sanction applies only to claims initiating proceedings, not to defensive measures like third-party objections, thereby upholding the lower court's decision. Consequently, the appeal was rejected, and the appellants were ordered to pay the costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 14 of the Law of 16 January 2003 on the Business Registry; The automatic inadmissibility sanction for missing business registration applies solely to claims initiating proceedings and does not extend to defensive filings such as third-party objections.

Mots-clés

Généré par l'IA
Business Registry Act Third-party objection Inadmissibility sanction Defensive filing Enforcement document Business number requirement Civil procedure

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 14 of the Law of 16 January 2003 on the Business Registry
Articles 1025 to 1034 of the Judicial Code
Articles 22 and 23 of the International Private Law Code
Article 1138, 2° of the Judicial Code

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Nr. C.11.0724.F

1. BELGOLAISE nv,

2. BANQUE CENTRALE DU CONGO,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

MEL ZAÏRE, vennootschap naar Congolees recht.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 maart 2010.

De zaak is door de eerste voorzitter bij beschikking van 17 november 2016 ver-wezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 17 november 2016 een conclusie neergelegd ter griffie.

Sectievoorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1025 tot 1034, inzonderheid 1033 en 1034, 1122, 1125, 1126, 1130 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 22 en 23 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, aangenomen bij de wet van 16 juli 2004;

- artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;

- het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de rechter, in burgerlijke zaken, een door de conclusie van de partijen uitgesloten betwisting niet mag opwerpen;

- het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het middel van niet-ontvankelijkheid van het derdenverzet niet-gegrond wegens niet-registratie van de verweerster in de Kruispuntbank van Ondernemingen en beslist bijgevolg dat het derdenverzet van de verweerster niet onontvankelijk moet worden verklaard wegens niet-registratie van laatstgenoemde in de Kruispuntbank van Ondernemingen, om de volgende redenen:

"In de huidige stand van zaken is het debat begrensd tot de door [de eiseressen] aangevoerde niet-ontvankelijkheid van het derdenverzet op grond van de vaststelling dat [de verweerster] gevestigd is in België, te Brussel, en dat haar derdenverzet, aangezien ze niet geregistreerd is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, niet ontvankelijk is;

[De verweerster] betwist dit middel van niet-ontvankelijkheid;

Artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen bepaalt het volgende:

'Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.

Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk.

Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen';

Bij ontstentenis van inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen is geen enkele rechtsvordering ontvankelijk, ongeacht of het een hoofdvordering dan wel een tussenvordering betreft.

De ondernemer mag in een procedure niet optreden als eiser maar wel als verweerder aangezien het recht om zichzelf te verdedigen een algemeen rechtsbeginsel is (S. Wauters, Kruispuntbank van Ondernemingen, nr. 102, p. 82, in Rép. Not., t. XII, boek I4);

[De verweerster] heeft in voorliggende zaak bij wijze van derdenverzet beroep ingesteld tegen een arrest dat gewezen werd in het raam van een eenzijdige procedure waarin [zij] geen partij was. Haar derdenverzet is, zoals het verwoord is, geen vordering tegen de twee andere partijen in het geding maar een verweermiddel tegen een beslissing die haar nadeel kan berokkenen;

De sanctie van niet-ontvankelijkheid bepaald in artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 is bijgevolg niet van toepassing op het derdenverzet van [de verweerster];

Daaruit volgt dat het middel van niet-ontvankelijkheid dat steunt op de niet-registratie van [de verweerster] in de Kruispuntbank van Ondernemingen, niet gegrond is".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek, kan al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, verzet doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt.

Artikel 1122 van datzelfde wetboek bepaalt dat ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet kan doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zoverre dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan.

Krachtens artikel 22 van het Wetboek van internationaal privaatrecht wordt een buitenlandse rechterlijke beslissing die uitvoerbaar is in de Staat waar zij werd gewezen, in België geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar verklaard overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23.

Artikel 23, §3, van dat wetboek verwijst naar de regels die zijn voorgeschreven voor de procedure op eenzijdig verzoekschrift, ingevoerd door de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek.

Uit de redenen van het arrest blijkt dat de procedure op eenzijdig verzoekschrift van 7 september 2006 werd ingeleid.

Wanneer de procedure op eenzijdig verzoekschrift wordt ingeleid, mag elke derde wiens rechten door de beslissing worden benadeeld, indien hij niet in de zaak is tussengekomen, verzet doen tegen de beschikking, zoals bedoeld in die artikelen.

Hoewel het beroep, bedoeld in artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek, als verzet wordt aangemerkt, dient het eigenlijk als een derdenverzet te worden beschouwd.

Het derdenverzet wordt ten aanzien van alle partijen hoofdelijk gedaan bij dagvaarding voor de rechter die de bestreden beslissing gewezen heeft.

Die dagvaarding heeft tot gevolg dat een nieuwe procedure wordt ingeleid maar dan tussen de verzetdoende partij en de [verzoeker].

Daaruit volgt dat artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 op die procedure van toepassing is, welke voorschrijft dat elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer vermeldt en dat, indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn, de rechtbank de vordering van ambtswege niet-ontvankelijk verklaart.

Het arrest, dat die sanctie echter weigert toe te passen op grond dat het door de verweerster ingeleide derdenverzet "geen vordering is gericht tegen de twee andere partijen in het geding maar een verweermiddel tegen een beslissing die haar nadeel kan berokkenen" verantwoordt zijn beslissing niet naar recht en schendt artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 en de in het middel bedoelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van artikel 1138, 2°, van dat wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, zoals van toepas-sing op dit geschil, bepaalt in het eerste lid dat elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemings-nummer vermeldt, en in het derde lid dat indien de handels- of ambachtsonderne-ming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Onderne-mingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet inge-schreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk verklaart.

Die bepaling is niet van toepassing op de akten van verweer tegen een rechtsvor-dering, zelfs niet als het een derdenverzet is.

Het arrest, dat vaststelt dat de verweerster "bij wijze van derdenverzet beroep heeft ingesteld tegen een arrest dat gewezen werd in het raam van een eenzijdige procedure waarin zij geen partij was" en dat oordeelt dat "haar derdenverzet, zo-als het geformuleerd is, geen vordering tegen de twee andere partijen is maar een verweermiddel tegen een beslissing die haar nadeel kan berokkenen", verant-woordt naar recht zijn beslissing "dat het middel van niet-ontvankelijkheid [afge-leid] uit de niet-registratie van [de verweerster] in de Kruispuntbank van Onder-nemingen niet-gegrond is".

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door sectie-voorzitter Christian Storck, als voorzitter, de raadsheren Mireille Delange, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 januari 2017 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Bo-dy.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van sectievoorzitter Eric Dirix en overge-schreven met assistentie van griffier Vanessa Van de Sijpe.

De griffier, De sectievoorzitter,

PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.2