Belgian court dismisses appeal on marital debt presumption, ruling lower court correctly applied joint liability rules.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation rejected the appellant's cassation appeal against a second-instance judgment regarding marital joint debt. The appellant argued that the presumption of joint debt under the Civil Code should have been reversed due to lack of proof that the loan benefited the marital community. The court held that the lower court correctly applied the statutory presumption of joint debt and that the appellant failed to prove the debt was solely personal to the spouse who signed it.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 1315, 1349, 1353, 1408, 1409, 1411, 1418, 2, d) of the Civil Code; Article 870 of the Judicial Code: The presumption of joint debt between spouses remains valid unless the creditor proves the debt was solely for the personal benefit of one spouse, and the burden of proof lies with the creditor to demonstrate the extent of that personal benefit.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
Nr. C.09.0310.F
R. K.,
Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. Y. H.,
2. T. G.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 22 oktober 2008 van het hof van beroep te Luik.
De zaak is bij beschikking van 24 november 2016 van de eerste voorzitter verwe-zen naar de derde kamer.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 24 november 2016 een conclusie neergelegd ter griffie.
Sectievoorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1315, 1349, 1353, 1407, inzonderheid derde streep, 1408, inzonderheid zevende en laatste streep, 1409, 1411 et 1418, 2, d), van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het arrest "bevestigt het beroepen vonnis, met dien verstande dat het hof [van beroep] voor recht zegt dat [de eiser], jegens [de verweerder], hoofdelijk tot de schuld van [de verweerster] gehouden is voor een bedrag van 47.113,42 euro, na aftrek van 20.326 euro, betaald op 10 december 1998, en van alle betaalde bedragen die in mindering kunnen worden gebracht", en veroordeelt de eiser tot de kosten van het hoger beroep, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder om de volgende redenen:
"Het huidige geschil is beperkt tot de kwestie van het gemeenschappelijk karakter van de schuld tussen de gewezen echtgenoten ([de eiser] en [de verweerster]);
Ter herinnering, uit artikel 1408, zevende lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat alle schulden van de echtgenoten of van een van hen vermoed worden gemeenschappelijk te zijn [...] ;
In dit geval waren [de eiser] en [de verweerster] nog gehuwd toen de schulderkenningen werden ondertekend;
De schulderkenningen vermelden dat de betrokken bedragen zijn toegekend in de vorm van een lening om de renovatiewerken van ‘hotel Studio 50' te financieren [...] alsook verschillende herstellingen die verband houden met de voor het hotel gemaakte kosten;
Dat pand was door de echtgenoten gekocht [...] op 6 maart 1989 [...], tijdens hun huwelijk, en was dus een gemeenschappelijk goed. Het werd doorverkocht op 23 februari 1998 en [de eiser] heeft de helft van de netto-verkoopprijs van het pand ontvangen [...];
[De eiser] betwist dat de bedragen waarvoor de schulderkenningen werden ondertekend, aan het gemeenschappelijk pand zijn besteed;
[...] [Hij] is van oordeel dat de waarde van de in het pand verrichte werken ruim onder het bedrag van de schulderkenningen ligt en voert een gebrek aan verantwoordingsstukken aan, alsook de getuigenis van de koper die tijdens het onderzoek werd afgenomen;
De getuigenis van de koper toont aan dat er in het pand renovatiewerken waren uitgevoerd en dat er, met name, op de verdiepingen verbouwings- en herstelwerkzaamheden waren verricht. [De eiser] heeft zelf verlaagde plafonds aangebracht en deze gefactureerd aan ‘Studio 50', de handelsnaam van [de verweerster] [...];
Bovendien heeft [de eiser] een volstrekt eenzijdige raming van de kosten van zijn werkuren gemaakt;
Terwijl er een gedetailleerde schulderkenning bestaat die de schuld toekent aan in het gemeenschappelijke pand verrichte werken, blijft [de eiser] in gebreke het bij artikel 1408 van het Burgerlijk Wetboek opgelegde vermoeden om te keren."
Grieven
Luidens artikel 1408, zevende en laatste streep, van het Burgerlijk Wetboek zijn de schulden waarvan niet is bewezen dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling, gemeenschappelijk. Het gemeenschappelijk karakter van een schuld is dus het beginsel en het eigen karakter ervan is de uitzondering. Krachtens artikel 1407, derde streep, van dat wetboek zijn schulden ontstaan uit handelingen die een van de echtgenoten niet zonder de medewerking van de andere echtgenoot mocht verrichten, eigen schulden.
Krachtens artikel 1418, 2, d), van het Burgerlijk Wetboek is de toestemming van beide echtgenoten vereist om een lening aan te gaan. Die bepaling maakt geen enkel onderscheid tussen de soorten leningen die ze bedoelt, zodat het daarin vermelde begrip "lening" in ruime zin moet worden opgevat; het betreft elke soort lening, ongeacht de persoon van de lener. Uit de samenhang tussen die bepaling en het voormelde artikel 1407, derde streep, kan worden afgeleid dat een lening die door slechts een van de echtgenoten is aangegaan, met miskenning van de voorgaande regel van gemeenschappelijk beheer, een eigen schuld van hem blijft.
Artikel 1407 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de betaling van een schuld die eigen is aan een van de echtgenoten enkel kan worden verhaald op zijn eigen vermogen en inkomsten, onverminderd de volgende artikelen en met name artikel 1411 van dat wetboek, luidens hetwelk de betaling van schulden ontstaan uit handelingen die een van de echtgenoten niet zonder de medewerking van zijn echtgenoot mocht verrichten, niet op het gemeenschappelijk vermogen kan worden verhaald dan in zoverre hij uit die handelingen voordeel heeft getrokken, een voordeel waarvan het bewijs rust op de schuldeiser en dat door alle middelen kan worden geleverd.
Geen enkele partij voerde aan dat de eiser zou hebben ingestemd met de schuld die die verweerster jegens de verweerder is aangegaan. Het arrest, dat voor recht zegt dat de eiser "hoofdelijk tot de schuld van [de verweerster] gehouden" is, stelt vast dat de litigieuze schuld door haar alleen was aangegaan.
In navolging van de eerste rechter stelt het arrest aldus vast dat de verweerster, en zij alleen, een stuk heeft ondertekend waarin zij verklaart dat zij de verweerder het bedrag verschuldigd is dat zij van hem heeft ontvangen "in de vorm van een lening". Hieruit kan worden afgeleid dat zij bij de verweerder een lening is aangegaan zonder de medewerking van haar echtgenoot, terwijl artikel 1418, 2, d), van het Burgerlijk Wetboek haar verplichtte om zijn toestemming te vragen. De omstandigheid dat de betrokken lening verband hield met renovatiewerken in een gemeenschappelijk pand, heeft wat dat betreft geen belang.
Bijgevolg blijft de schuld, ontstaan uit die onregelmatig aangegane lening, eigen aan de verweerster, tenzij de schuldeiser op het gemeenschappelijk vermogen een beroep doet, maar enkel tot beloop van het voordeel dat hij uit die handeling heeft getrokken, een voordeel dat door de eiser wordt betwist voor het gedeelte boven 8.222,71 euro.
De omvang van dat voordeel moest door de verweerder (en niet door de eiser) worden aangetoond en uit de vastgestelde elementen kan niet worden afgeleid dat voornoemd voordeel 47.113,42 euro zou bedragen, d.i. een hoger bedrag dan de geldwaarde van het pand (2 x 784.377 frank) na uitvoering van de werken waaraan de geleende bedragen zouden zijn besteed (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het wettelijk begrip vermoeden, zoals het is vastgelegd in de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek).
Het arrest, dat de wettelijke normen betreffende de status van de litigieuze schuld had moeten toepassen, mocht niet beslissen dat de eiser jegens de verweerder hoofdelijk tot de schuld van de verweerster verbonden is "omdat het in gebreke blijft het bij artikel 1408 van het Burgerlijk Wetboek opgelegde vermoeden om te keren" (schending van alle in het middel weergegeven bepalingen).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Enerzijds blijkt uit de conclusie waarop het hof van beroep vermocht acht te slaan, niet dat de eiser voor dat hof heeft aangevoerd dat hij niet had ingestemd met de lening die de verweerster bij de verweerder was aangegaan.
Anderzijds kan uit de door hem aangevoerde omstandigheid dat de verweerster, en zij alleen, het stuk heeft ondertekend waardoor zij erkende de verweerder het "in de vorm van een lening" ontvangen bedrag verschuldigd te zijn, niet worden afgeleid dat voornoemd stuk daarmee aantoont dat de eiser niet met die lening heeft ingestemd.
Het middel, dat de schending aanvoert van wettelijke bepalingen die noch de openbare orde raken noch van dwingend recht zijn en waarbij uit de door het hof van beroep vastgestelde feiten niet volgt dat voornoemd hof die wettelijke bepa-lingen had moeten toepassen om het hem voorgelegde geschil te beslechten, dat niet aan dat hof is voorgelegd en waarvan dat hof niet op eigen initiatief heeft kennisgenomen, is nieuw en derhalve niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door sectie-voorzitter Christian Storck, als voorzitter, de raadsheren Mireille Delange, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 januari 2017 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Bo-dy.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van sectievoorzitter Eric Dirix en overge-schreven met assistentie van griffier Vanessa Van de Sijpe.
De griffier, De sectievoorzitter,
PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.1