Civil party's appeal against dismissal of objection to default judgment is rejected as inadmissible.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation rejected the civil party's appeal against the lower court's dismissal of her objection to a default judgment. The civil party argued that Article 187 of the Code of Criminal Procedure should allow objections against all final decisions, including those by the investigation judge. The court held that the right to object is limited by statute to specific scenarios and does not apply to decisions by the investigation judge acting as an investigation court.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 187 of the Code of Criminal Procedure; The right to file an objection against a default judgment is limited to decisions by the court of first instance acting as a court of first instance and does not extend to decisions by the investigation judge acting as an investigation court.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
Nr. P.15.0214.N
V V R, in eigen naam en voor haar minderjarige dochter C V D,
burgerlijke partij,
eiseres,
met als raadsman mr. Pieter De Loof, advocaat bij de balie te Antwerpen,
tegen
G R M V D B,
inverdenkinggestelde,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 januari 2015.
De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 187 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest verklaart ten onrechte het verzet van de eiseres tegen het verstekar-rest niet ontvankelijk; artikel 187 Wetboek van Strafvordering bepaalt op algeme-ne wijze de mogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen te-gen verstekbeslissingen en bijgevolg ook tegen een verstekbeslissing van het on-derzoeksgerecht indien dit als vonnisgerecht oordeelt; dat is het geval als het on-derzoeksgerecht een buitenvervolgingstelling beveelt, wat een eindbeslissing is met het karakter van een vonnis, die voor de eiseres gezag van gewijsde heeft.
2. Indien het onderzoeksgerecht beslist tot verwijzing van een inverdenkingge-stelde naar het vonnisgerecht of tot zijn buitenvervolgingstelling, dan doet het geen uitspraak als vonnisgerecht en velt het bijgevolg geen vonnis in de zin van artikel 149 Grondwet. De omstandigheid dat de beslissing van buitenvervolging-stelling voor de burgerlijke partij een eindbeslissing is, doet daaraan geen afbreuk.
3. Beslissingen van het onderzoeksgerecht hebben in de regel enkel gezag van gewijsde indien het uitspraak doet als vonnisgerecht.
4. Noch artikel 187 Wetboek van Strafvordering noch enig andere wettelijke bepaling laten verzet toe tegen beslissingen van het onderzoeksgerecht tot verwij-zing of buitenvervolgingstelling.
5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
Tweede middel
6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de kamer van in-beschuldigingstelling heeft op de rechtszitting van 2 juni 2014 het door de eiseres gevraagde uitstel om een verslag van een technisch raadsman te voegen, gewei-gerd zodat de zaak niet in staat was en de eiseres genoodzaakt was verstek te la-ten; daardoor en door het onontvankelijk verklaren van het verzet van de eiseres werd haar de mogelijkheid ontzegd om aan te tonen dat er voldoende bezwaren waren om de verweerder naar de correctionele rechtbank te verwijzen.
7. In zoverre het middel is gericht tegen de weigeringsbeslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling van 2 juni 2014 om de zaak uit te stellen en dus niet tegen het thans bestreden arrest, is het onontvankelijk.
8. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs met het eerste mid-del aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg evenmin ontvankelijk.
Derde middel
9. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet: door het verzet van de eiseres tegen de verstekbeslissing van buitenvervolgingstelling onontvankelijk te verklaren, maakt het arrest een onderscheid tussen, enerzijds, de mogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen tegen een be-slissing van het vonnisgerecht en de onmogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen tegen een beslissing van het onderzoeksgerecht dat oordeelt als vonnisgerecht, en, anderzijds, de mogelijkheid voor een burgerlijke partij om hoger beroep aan te tekenen tegen een beslissing van het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet als onderzoeksgerecht en de onmogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen tegen een beslissing van het onderzoeksgerecht dat oordeelt als onderzoeksgerecht; het recht op verzet is nochtans algemeen en het moet in alle gelijke gevallen gelijk worden toegepast; de door het arrest toegepaste ongelijke behandeling miskent het gelijkheidsbeginsel; er bestaat een discriminatie tussen de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde die ingeval van een verwijzing naar het vonnisgerecht wel de mogelijkheid heeft om zijn rechten te verdedigen; voor de ongelijke behandeling bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording.
10. In zoverre het middel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aan-gevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
11. Er bestaat geen recht op verzet tegen elke rechterlijke beslissing. Het rechtsmiddel verzet kan alleen worden aangewend in de door de wetgever bepaal-de gevallen.
12. Net zoals de burgerlijke partij kan een inverdenkinggstelde geen verzet aan-tekenen tegen een bij verstek gewezen beslissing van het onderzoeksgerecht dat niet oordeelt als vonnisgerecht.
13. De toestand van een partij voor het vonnisgerecht is verschillend van die van een partij voor het onderzoeksgerecht dat niet oordeelt als vonnisgerecht: in het eerste geval doet de rechter uitspraak over de strafvordering en de erop gesteunde burgerlijke rechtsvordering; in het tweede geval beoordeelt het onderzoeksgerecht enkel of er grond bestaat om een inverdenkinggestelde te verwijzen naar het von-nisgerecht.
Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vereist niet dat tegen beslissingen in de beide procedures waarvan de aard verschillend is, dezelfde rechtsmiddelen moeten openstaan.
14. Hoger beroep en verzet zijn verschillende rechtsmiddelen: het eerste beoogt de zaak opnieuw te laten beoordelen door een hogere rechter; het tweede beoogt ingeval van verstek de zaak opnieuw te laten beoordelen door hetzelfde gerecht.
Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vereist niet dat tegen beslissingen waartegen hoger beroep openstaat, ook verzet moet openstaan.
15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 54,31 euro waarvan 19,31 euro verschuldigd is.
F. Adriaensen S. Berneman E. Francis
A. Lievens F. Van Volsem P. Maffei
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechts-zitting van 29 november 2016 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.
Document PDF ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.2