Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal on presumption of guilt rebuttal and fair trial rights in traffic offense.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation rejected the appellant's cassation appeal against a traffic court verdict regarding a presumption of guilt under Article 67bis of the Road Traffic Act. The appellant argued that the lower court failed to properly rebut the presumption by rejecting witness testimonies and violated fair trial rights. The court held that the lower court correctly assessed the lack of credibility in the witnesses and was not obligated to hear them, thus upholding the original decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 67bis of the Road Traffic Act; Article 6.2 of the ECHR; The presumption of guilt may be rebutted by any means of proof, and the court is not required to hear additional witnesses if their credibility is lacking and their testimony would not contribute to truth-finding.

Mots-clés

Généré par l'IA
presumption of guilt road traffic offense fair trial rights witness credibility rebuttal of presumption Article 67bis ECHR Article 6.2

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 67bis of the Road Traffic Act
Article 6.2 of the European Convention on Human Rights
Article 6.3.d of the European Convention on Human Rights

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Nr. P.14.1909.N

B J R M J J V,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Paul Mortier, advocaat bij de balie te Dendermonde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 20 november 2014.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Voorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiseres het in artikel 67bis Wegverkeerswet bepaalde vermoeden van schuld niet weerlegt omdat S G geen onafhankelijke getuige is, hoewel hij heeft bekend met het voertuig te hebben gereden en een vrij afgelegde bekentenis een grote be-wijswaarde heeft; bovendien moet het bestreden vonnis de afwijzing van dat te-genbewijs omstandig motiveren, wat het niet doet.

2. Artikel 67bis Wegverkeerswet bepaalt: "Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de titularis van de nummerplaat van het voertuig. Het vermoeden van schuld kan worden weerlegd met elk middel van recht."

3. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de titularis van de nummerplaat van het voertuig waarmee de overtreding werd begaan, erin slaagt het op hem rus-tende vermoeden van schuld te weerleggen. Uit de enkele omstandigheid dat die titularis een verklaring van de vermeende bestuurder voorlegt, volgt niet dat de rechter moet aannemen dat het vermoeden van schuld is weerlegd noch dat hij voor het verwerpen van die verklaring een bijzondere motiveringsplicht dient in acht te nemen. Daaruit kan geen schending van artikel 6.2 EVRM of miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de weerlegging van het in artikel 67bis Wegverkeerswet be-paalde vermoeden of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 67bis Wegverkeerswet: het be-streden vonnis motiveert onvoldoende waarom het de bewijsmiddelen verwerpt die de eiseres aanvoert om het vermoeden te weerleggen dat zij als titularis van de nummerplaat het voertuig bestuurde waarmee de inbreuk werd begaan.

6. Het bestreden vonnis oordeelt dat:

- de boekingsdocumenten op naam van de eiseres niet bewijzen dat ook zij de reis heeft gemaakt;

- uit de neergelegde stukken blijkt dat het e-mailadres van de eiseres waarmee de reis werd geboekt, ook betrekking heeft op een derde of door deze gebruikt werd;

- de Gsm-rekeningen niet bewijzen dat de eiseres op het moment van de feiten vanuit Frankrijk heeft getelefoneerd daar die rekeningen betrekking hebben op verschillende Gsm-nummers en uit niets blijkt welk het persoonlijk nummer van de eiseres is;

- de verklaringen van N J en S G geen verklaringen van onafhankelijke personen zijn omdat zij persoonlijke kennissen zijn van de eiseres en het niet aannemelijk is dat S G zich nog zou kunnen herinneren dat hij bijna een jaar eerder met het voertuig van de eiseres zou hebben gereden, zodat aan die verklaringen geen geloof kan worden gehecht.

Met die redenen geeft het bestreden vonnis omstandig aan waarom het eiseres' verweer dat zij niet de bestuurder van het voertuig was, verwerpt. Aldus is de be-slissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

7. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel en is het om de daar vermelde redenen te verwerpen.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, alsook miskenning van het recht van verdediging en de wapengelijkheid: het bestreden vonnis dat het horen van getuigen niet nuttig acht, ontzegt de eiseres de mogelijkheid om het vermoeden bepaald in artikel 67bis Wegverkeerswet te weerleggen; het vermoe-den dat de titularis van de nummerplaat aansprakelijk is, vergemakkelijkt de be-wijsvoering door het openbaar ministerie; de wapengelijkheid vereist daarom dat wanneer de beklaagde ernstige middelen voorbrengt om dit vermoeden te ont-krachten, haar de mogelijkheid wordt geboden getuigen à décharge te laten horen.

9. De rechter kan een verzoek tot bijkomend onderzoek, waaronder het horen van een getuige, afwijzen wanneer hij van oordeel is dat die maatregel niet nuttig is voor het achterhalen van de waarheid op voorwaarde dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Dit is het geval wanneer de rechter op grond van de con-crete omstandigheden die hij aanwijst, oordeelt dat de voorgestelde getuige niet geloofwaardig is zodat zijn verhoor niet kan bijdragen tot de waarheidsvinding.

10. Het bestreden vonnis oordeelt: "De verklaringen van N J en S G zijn geen verklaringen van onafhankelijke personen omdat zij persoonlijke kennissen zijn van [de eiseres]; bovendien is het niet aannemelijk dat S G op 16 juni 2014 zich nog zou kunnen herinneren dat hij bijna een jaar eerder met het voertuig van de [eiseres] zou hebben gereden; om deze redenen kan er aan hun verklaring geen geloof worden gehecht en is het getuigenverhoor van deze getuigen bijgevolg niet nuttig." Met die redenen geeft het bestreden vonnis te kennen dat de gevraagde onderzoeksdaden wegens hun gebrek aan geloofwaardigheid niet nuttig zijn voor het achterhalen van de waarheid en verwerpt het eiseres' verzoek. Aldus schendt het bestreden vonnis de in het middel vermelde wetsbepalingen niet noch miskent het de daarin vermelde rechtsbeginselen, maar is de beslissing regelmatig met re-denen omkleed en naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 64,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 22 november 2016 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky S. Berneman E. Francis

A. Lievens P. Hoet P. Maffei

PDF document ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1