Belgian nationality application dismissed; court rejects argument that public order requires immediate ministerial advice. Public order not violated by cost allocation.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation dismissed the applicant's cassation appeal against a lower court ruling on Belgian nationality and court costs. The applicant argued that the public order was violated because the Minister of Justice had not issued a negative opinion within the statutory four-month period, yet the civil registrar proceeded with automatic registration. The court held that the Minister's advice is only considered 'issued' upon formal service to the registrar and applicant, not upon receipt by the prosecutor, thereby preserving the applicant's legal certainty. Consequently, the appeal was rejected, and the costs were allocated to the Belgian State.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 12bis, § 1, 3° WBN; Art. 12bis, § 2, 6° WBN; Art. 12bis, § 3, 1° WBN: The Minister of Justice's negative opinion is deemed issued only upon formal service to the civil registrar and the applicant, ensuring legal certainty and preventing automatic registration before the statutory period expires.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
Nr. C.14.0237.N
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, met kantoor te 9000 Gent, Savaanstraat 11/101,
eiser,
tegen
V. S.,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 20 februari 2014.
Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 13 november 2015 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. Krachtens artikel 138bis, § 1, Gerechtelijk Wetboek treedt het openbaar mi-nisterie in burgerlijke zaken ambtshalve op telkens als de openbare orde zijn tus-senkomst vergt.
Uit die bepaling volgt niet dat het openbaar ministerie ambtshalve een vordering kan instellen telkens als een bepaling van openbare orde of betreffende de openba-re orde geschonden werd. De vereisten van openbare orde die, in de zin van die bepaling, een dergelijk optreden kunnen verantwoorden, veronderstellen dat de openbare orde in gevaar wordt gebracht door een toestand die moet worden ver-holpen.
2. Nadat het uitspraak deed over de grond van de zaak, verwijst het arrest de Belgische Staat in de gerechtskosten van de beide aanleggen.
Die beslissing over de gerechtskosten brengt de openbare orde niet zodanig in ge-vaar dat het ambtshalve optreden van de eiser erdoor verantwoord wordt.
In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de gerechtskosten, is het niet ontvankelijk.
Eerste middel
3. Krachtens artikel 12bis, § 1, 3°, WBN, in de hier toepasselijke versie, kan de vreemdeling die zich kan beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats in België gedekt door een wettelijk verblijf en die op het tijdstip van de verklaring gemach-tigd of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur, de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
Overeenkomstig artikel 12bis, § 2, eerste lid, WBN, in de hier toepasselijke versie, wordt de verklaring tegen ontvangstbewijs afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de aangever zijn hoofdverblijf heeft. Uiterlijk binnen de vijf werkdagen die volgen op deze verklaring, wordt zodra het dossier volledig is, een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, door de ambtenaar van de burgerlijke stand voor advies overgezonden aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.
Volgens artikel 12bis, § 2, zesde lid, WBN, in de hier toepasselijke versie, kan de procureur des Konings, binnen een termijn van vier maanden te rekenen van de verklaring afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand bedoeld in het eerste lid, een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten, eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of wanneer de grondvoorwaarden bedoeld in § 1, die hij moet vermelden, niet vervuld zijn.
Artikel 12bis, § 2, negende lid, WBN, in de hier toepasselijke versie, bepaalt: "Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, (...) en bij ontstentenis van een negatief advies van de procureur des Konings of overzending van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt de verklaring ambtshalve inge-schreven en vermeld zoals bepaald in artikel 22, § 4. Bij gebreke aan overzending bedoeld in het eerste lid, heeft er echter geen inschrijving plaats en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de belanghebbende daarvan onmiddellijk op de hoogte."
Overeenkomstig artikel 12bis, § 3, eerste lid, WBN, in de hier toepasselijke versie, moet het negatief advies met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een ter post aangetekende brief, aan de be-langhebbende betekend door toedoen van de procureur des Konings.
4. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de voormelde termijn van vier maanden waarover de procureur des Konings beschikt om een negatief advies uit te bren-gen, een strikte termijn is. De voormelde bepalingen strekken enerzijds ertoe de procureur des Konings voldoende tijd te geven om te kunnen controleren of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden om de Belgische nationaliteit te verkrijgen. Anderzijds strekken zij ertoe de aanvrager rechtszekerheid te verlenen over het ingaan van de termijn en hem de ambtshalve inschrijving van zijn verklaring te garanderen bij ontstentenis van een advies van het openbaar ministerie binnen de gestelde termijn.
5. Uit de opbouw van de voormelde bepalingen, de gebruikte bewoordingen en de wetsgeschiedenis volgt dat het advies door de procureur des Konings wordt uitgebracht in de zin van artikel 12bis, § 2, zesde lid, WBN, zoals te dezen van toepassing, door het te betekenen overeenkomstig artikel 12bis, § 3, eerste lid, WBN, zoals te dezen van toepassing.
Hieruit volgt dat het advies slechts wordt uitgebracht op het ogenblik van die be-tekening. De ambtenaar van de burgerlijke stand zou bij het verstrijken van de termijn immers niet onmiddellijk kunnen overgaan tot ambtshalve inschrijving, zoals artikel 12bis, § 2, negende lid, WBN, oplegt, indien het tijdstip waarop het advies wordt uitgebracht aan dat van de betekening zou kunnen voorafgaan.
6. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat het negatief advies wordt uitge-bracht in de zin van artikel 12bis, § 2, WBN, zoals te dezen van toepassing, op het ogenblik dat het door de procureur des Koning wordt gedagtekend en onderte-kend, en niet wanneer het door toedoen van de procureur des Konings wordt betekend aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en de belanghebbende, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel faalt naar recht.
Tweede middel
7. Het middel dat gericht is tegen de beslissing over de kosten waartegen voor de eiser geen ontvankelijk cassatieberoep openstaat, behoeft geen antwoord.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Laat de kosten ten laste van de Belgische Staat.
Bepaalt de kosten op 118,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 28 januari 2016 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.
K. Vanden Bossche K. Moens G. Jocqué
K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix
Verzoekschrift
Elektronische versie niet beschikbaar
PDF document ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160128.3