Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6 Généré par l'IA

Court dismisses appeal on procedural grounds and partially allows claim to lift penalty for impossibility.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation declared the appeal inadmissible regarding specific civil code articles but partially allowed the claim to lift the daily penalty. The appellant argued that performance became impossible due to the sale of the flat, yet the lower court only lifted the penalty prospectively. The court ruled that the appellant failed to establish the impossibility stemmed from a fortuitous event rather than their own fault, leading to a partial rejection of the appeal.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1385bis, 1385quinquies of the Judicial Code; Articles 1108, 1126, 1184, 1193-1196, 1302, 1592, 1722, 1741 of the Civil Code; The court held that a party cannot invoke a general principle of law regarding the extinction of obligations or the prohibition of forced specific performance if the impossibility was caused by their own fault, and that the court must examine whether the impossibility was fortuitous before lifting the penalty.

Mots-clés

Généré par l'IA
impossibility of performance penalty for non-compliance fault of the debtor fortuitous event specific performance Civil Code provisions procedural admissibility

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 1385bis and 1385quinquies of the Judicial Code
Articles 1108, 1126, 1184, 1193, 1194, 1195, 1196, 1302, 1592, 1722, and 1741 of the Civil Code
Articles 39, 2, and 41 of the Companies Code

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Nr. C.03.0454.F.-

K. M.,

Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

V. D. A. C.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis dat op 2 mei 2003 in hoger beroep door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel is gewezen.

II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

III. Middelen

Eiser voert drie middelen aan. Ze zijn als volgt gesteld:

1. Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1385bis, 1385quinquies (...) van het Gerechtelijk Wetboek ;

- de artikelen 1108, 1126, 1184, tweede lid, 1193, 1194, 1195, 1196, 1302, (...) 1592, 1722 en 1741 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 39, 2°, en 41 van het Wetboek van vennootschappen ;

- algemeen rechtsbeginsel van het verval van de verbintenissen door het teloorgaan van hun voorwerp, dat met name neergelegd is in de artikelen 1108, 1126, 1184, tweede lid, 1193, 1194, 1195, 1196, 1302, 1592, 1722, 1741 van het Burgerlijk Wetboek en 39, 2°, en 41 van het Wetboek van vennootschappen ;

- algemeen rechtsbeginsel dat de gedwongen uitvoering in natura verbiedt van een verbintenis die onmogelijk in natura kan worden uitgevoerd, dat met name neergelegd is bij artikel 1184, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en in de voormelde bepalingen.

Bestreden beslissingen en redenen

Het bestreden vonnis dat uitspraak doet over eisers vordering tot opheffing, met terugwerkende kracht, van de dwangsom die de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel bij vonnis van 19 juni 2001 tegen hem had uitgesproken, omdat hij dat vonnis wegens de verkoop van de litigieuze flat op 8 maart 2001 onmogelijk kon uitvoeren, willigt die vordering slechts voor de toekomst in en bevestigt aldus "het vonnis van de 14de kamer van de rechtbank van 19 juni 2001 in zoverre dit (eiser) veroordeelt tot betaling van een dwangsom van 74,37 euro per dag te rekenen van 4 november 2001, maar ze beperkt tot het tijdstip van de uitspraak van dit vonnis".

Daartoe steunt het bestreden vonnis op de onderstaande redenen :

"De dwangsom is een bijkomende veroordeling om de naleving van de rechterlijke beslissing te waarborgen:

'Heden ten dage dient de dwangsom om het niet naleven van het bevel van de rechter te bestraffen, zodat het bedrag ervan vastgesteld wordt niet in verhouding tot de omvang van de schade die trouwens hersteld wordt door de schadevergoeding waarmee de dwangsom gepaard kan gaan, maar wel in verhouding tot de ernst van de door de onwillige schuldenaar begane fout'.

De rechter die een dwangsom heeft uitgesproken, is bij uitsluiting bevoegd om de dwangsom op te heffen, de looptijd ervan op te schorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom te verminderen ingeval van gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

De term onmogelijkheid moet begrepen worden als een niet te realiseren gebeurtenis.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 januari 1980 betreffende de dwangsom blijkt dat de beslissing tot herziening van de dwangsom wegens de onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen 'een bevoegdheid is waarvan de uitoefening aan het oordeel van de rechter is overgelaten, zodat deze rekening kan houden met alle omstandigheden met name met de blijvende of tijdelijke aard van de onmogelijkheid, met de vraag of er volledige of gedeeltelijke onmogelijkheid heeft veroorzaakt'.

In haar artikel 'L'Astreinte' in Ann. de Liège, 1982, p. 11 tot 92, vermeldt mevrouw Moreau-Margreve :

'la révision est possible même si l'impossibilité d'exécution a été créée par le débiteur lui-même, sans qu'il soit distingué entre une faute intentionnelle ou non dans son chef. Sans doute, si impossibilité il y a, l'effet coercitif de l'astreinte ne se conçoit plus, quelle que soit l'origine de l'impossibilité.

Le procédé des astreintes risque cependant d'être frappé de caducité par là même car, pour éviter l'astreinte, il suffirait au débiteur de se mettre le plus rapidement possible dans l'impossibilité d'exécuter la condamnation principale

Il est vrai que le texte, comme les travaux préparatoires permettent au juge de refuser la révision demandée ou de la tempérer; c'est probablement ce qu'il conviendra de faire au cas où l'impossibilité a été volontairement créée par le débiteur' ;

Aldus moeten de rechters beslissen of zij willen optreden in het geval van een onmogelijkheid die te wijten is aan een fout van de veroordeelde en de draagwijdte van hun herziening in meerdere of mindere mate daaraan willen aanpassen.

Aldus heeft het Benelux-Gerechtshof, waarbij in 1984 een vraag aanhangig was gemaakt betreffende het begrip 'putatieve' onmogelijkheid, namelijk indien de veroordeelde in de menig verkeert aan de hoofdveroordeling geheel en tijdig te hebben voldaan, en die mening onjuist blijkt te zijn geweest, geoordeeld dat 'de rechter die de putatieve onmogelijkheid in aanmerking wil nemen, zich de vraag heeft te stellen of de veroordeelde die vergissing zou hebben vermeden indien hij meer inspanning en zorgvuldigheid had betracht en het niet onredelijk zou zijn dat meerdere van hem te vergen'.

Aldus staat vast dat de rechtbank de draagwijdte dient te beoordelen van de onmogelijkheid voor (eiser) om de hoofdverbintenis uit te voeren die hem bij vonnis van 19 juni 2001 is opgelegd en de gevolgen ervan te beoordelen.

In deze zaak volgt uit de rechtsplegingsstukken dat :

- (verweerster) ten gevolge van het vonnis van 22 oktober 1999, waarbij (zij) veroordeeld werd om de flat in de Winston Churchilllaan 247 A te Ukkel ter beschikking van (eiser) te stellen, op 3 december 1999 een appèlverzoekschrift heeft neergelegd waarin zij de herziening vordert van het vonnis van de vrederechter te Ukkel ;

- de zaak op 31 januari 2000 ingeleid wordt en naar de rol verwezen, (eisers) conclusie wordt op 15 juni 2000 neergelegd en (verweersters) hoofdconclusie op 20 september 2000 ;

- (verweerster) op 30 januari 2001 een verzoekschrift indient dat gegrond is op artikel 747, ,§ 2, van het Gerechtelijk Wetboek en (eisers) raadsman de rechtbank op 13 februari 2001 meldt dat hij geen aanvullende conclusie zal neerleggen ;

- de voorzitter van de rechtbank op 7 maart 2001 zijn op artikel 747, ,§ 2, van het Gerechtelijk Wetboek gegronde beschikking uitspreekt en de pleitdatum vaststelt op 21 mei 2001 ; het vonnis van deze rechtbank op 19 juni 2001 wordt uitgesproken.

Het staat bijgevolg vast dat (eiser), toen hij de flat verkocht, namelijk op 8 maart 2001 (ondertekening van de voorlopige koopovereenkomst), zeer goed wist dat (verweerster) de teruggave van haar genotsrecht op straffe van een dwangsom vorderde.

Toch heeft hij niet geaarzeld om de lopende verkooponderhandelingen te verzwijgen en heeft hij doelbewust nagelaten de rechtbank in te lichten, die gelet op de nieuwe omstandigheden, de toestand van de partijen anders had kunnen beoordelen.

Zo heeft hij doelbewust het risico genomen om zich in een toestand te plaatsen waarin hij zijn verbintenis onmogelijk zou kunnen uitvoeren.

Het beginsel dat niemand zichzelf recht mag doen, is een basisbeginsel van onze maatschappij.

De rechtbank kan (eisers) houding toestaan noch bekrachtigen, aangezien deze alle schuldenaars van een dwangsom ertoe aanzet om de hun opgelegde uitvoering in natura onmogelijk te maken en zij aan de wettelijke regeling van 31 januari 1980 (eenvormige Beneluxwet, ondertekend te 's-Gravenhage op 26 november 1973 en goedgekeurd bij de wet van 31 januari 1980) alle betekenis zou ontnemen.

Toch moet de rechtbank, gelet op de huidige materiële onmogelijkheid tot uitvoeren, wel degelijk vaststellen dat de dwangsom te rekenen van de uitspraak van dit arrest opgeheven moet worden".

Grieven

1.1. Eerste onderdeel

De dwangsom in de zin van artikel 1385bis strekt ertoe de goede uitvoering te verzekeren van een veroordeling die een prestatie in natura of een staking oplegt. Zodoende wil zij de gedwongen uitvoering in natura van de verbintenissen verzekeren.

Wanneer blijkt dat een veroordeling tot een prestatie in natura onmogelijk kan worden uitgevoerd, moet de rechter, bij wie een op artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek gegronde vordering tot opheffing van de dwangsom aanhangig is gemaakt, de opheffing van die dwangsom uitspreken te rekenen van het tijdstip van die onmogelijkheid tot uitvoeren, wanneer de onmogelijkheid geheel is, zonder daarbij te moeten nagaan of die onmogelijkheid voortkomt uit een toevallig feit, ofwel ontstaan is door toedoen of door de schuld van de veroordeelde partij die, in voorkomend geval, enkel tot schadevergoeding gehouden kan zijn.

Het staat immers vast dat een verbintenis vervalt wanneer zij in materiële of juridische zin haar voorwerp verliest, in zoverre zij, in dat geval, onmogelijk in natura kan worden uitgevoerd (artikelen 1108, 1126, 1184, tweede lid, 1193, 1194, 1195, 1196, 1302, 1592, 1722, 1741 van het Burgerlijk Wetboek, 39, 2°, en 41 van het Wetboek van vennootschappen en algemeen rechtsbeginsel van het verval van de verbintenissen door het teloorgaan van hun voorwerp). Dat verval kan zelfs worden aangevoerd door de partij door wiens schuld het is veroorzaakt, waarbij zij, in dat geval, nog slechts tot schadevergoeding is gehouden.

De uitvoering in natura van een verbintenis is trouwens slechts denkbaar wanneer zij mogelijk is (artikel 1184, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en algemeen rechtsbeginsel dat het vorderen van de uitvoering in natura verbiedt van een verbintenis die onmogelijk in natura kan worden uitgevoerd).

In zoverre de dwangsom geen persoonlijke straf is maar wel ertoe strekt de uitvoering in natura van een veroordeling, en dus van een verbintenis, te verzekeren, moet zij ophouden te bestaan wanneer de uitvoering in natura van haar voorwerp geheel onmogelijk is.

Het bestreden vonnis, dat de opheffing van de litigieuze dwangsom slechts voor de toekomst uitspreekt, terwijl eiser zich, wegens de verkoop op 8 maart 2001, beriep op een gehele onmogelijkheid om te voldoen aan zijn veroordeling, miskent aldus:

1°) de gevolgen van het verval van die verbintenis wegens het juridische verlies van haar oorzaak en de onmogelijkheid tot uitvoering in natura die daarvan het gevolg is (miskenning van de in de aanhef van het middel aangewezen algemene rechtsbeginselen en schending van de artikelen 1108, 1126, 1184, tweede lid, 1193, 1194, 1195, 1196, 1302, 1592, 1722 en 1741 van het Burgerlijk Wetboek, en 39, 2°, en 41 van het Wetboek van vennootschappen) ;

2°) althans het begrip dwangsom (schending van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek) en artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, door de opheffing van de dwangsom niet van de in artikel 1385quinquies bedoelde onmogelijkheid tot uitvoeren te laten afhangen, maar wel van het gedrag van de schuldenaar, waardoor het aldus de dwangsom omvormt tot een echte burgerlijke straf.

IV. Beslissing van het Hof

Eerste middel

Eerste onderdeel

Overwegende dat het middel niet bepaalt waarin het bestreden vonnis de artikelen 1108, 1126, 1184, tweede lid, 1193 tot 1196, 1302, 1592, 1722, 1741 van het Burgerlijk Wetboek en 39, 2°, en 41 van het Wetboek van vennootschappen schendt ;

Overwegende dat eiser zijn vordering tot opheffing van de dwangsom voor de bodemrechters niet heeft ingesteld op grond van het algemeen rechtsbeginsel "van het verval van de verbintenissen door het teloorgaan van hun voorwerp"; dat het middel, aangezien het gegrond is op een algemeen rechtsbeginsel dat noch van openbare orde noch dwingend is, dat niet aan de bodemrechter is voorgelegd waarvan deze evenmin op eigen initiatief heeft kennisgenomen en dat hij niet diende toe te passen, niet voor het eerst voor het Hof mag worden aangevoerd ;

Overwegende dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat "dat het vorderen van de gedwongen uitvoering in natura verbiedt van een verbintenis die onmogelijk in natura kan worden uitgevoerd" ;

Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ;

Overwegende dat, voor het overige, luidens artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen ;

Dat het onderdeel, in zoverre het staande houdt dat de rechter verplicht is de opheffing van de dwangsom uit te spreken zodra de uitvoering van de hoofdverbintenis volstrekt onmogelijk is, zonder daarbij te moeten nagaan of die onmogelijkheid voortkomt uit een toevallig feit, ofwel ontstaan is door toedoen of door de schuld van de veroordeelde partij, faalt naar recht ;

OM DIE REDENEN,

HET HOF

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit op de tegenvordering, die vordering ontvankelijk verklaart en de zaak, met toepassing van artikel 88 van het Gerechtelijk Wetboek, naar de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel verwijst ;

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ;

Veroordeelt eiser in twee derde van kosten, houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Albert Fettweis en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van veertien oktober tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Albert Fettweis en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De raadsheer,

PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6