Belgian court dismisses appeal on right of defense, ruling no separate right to cross-examine exists.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation dismissed the appellant's cassation appeals regarding the right of defense and the fairness of the trial. The appellant argued that documents were missing from the file and that a separate investigation into related facts against other persons violated Article 6 of the ECHR. The court held that the right to cross-examine is not a distinct right from the right of defense and that the procedural history did not constitute a violation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 6, ECHR; Article 133 of the Code of Criminal Procedure: The right to cross-examine is not a separate right from the right of defense, and a decision removing a case from an investigating judge does not automatically deprive a defendant of the right to contest evidence.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
Fiches 1 - 2
Wanneer de beklaagde, voor het vonnisgerecht, de door het O.M. regelmatig
tegen hem ingebrachte gegevens vrij heeft kunnen tegenspreken, kan hij
niet beweren dat zijn recht van verdediging is miskend of dat hij geen
recht heeft gehad op een eerlijk proces in de zin van art. 6.1 E.V.R.M.,
alleen op grond dat stukken niet bij het dossier zouden zijn gevoegd of
dat er nog steeds een onderzoek gevoerd wordt naar dezelfde feiten of
naar daarmee samenhangende feiten, dat evenwel tegen andere personen is
gericht (1).
Thesaurus CAS:
RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN
Vrije woorden:
RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN - Eerlijk proces - Begrip - Dossier
- Voeging van stukken - Ander lopend onderzoek - Art. 6.1, Verdrag Rechten
van de Mens - Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging
Wettelijke bepalingen:
Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1
Wet - 13-05-1955
Thesaurus CAS:
RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1
Vrije woorden:
RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel
6.1 - Eerlijk proces - Begrip - Dossier - Voeging van stukken - Ander
lopend onderzoek - Art. 6.1, Verdrag Rechten van de Mens - Algemeen rechtsbeginsel
inzake het recht van verdediging
Wettelijke bepalingen:
Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1
Wet - 13-05-1955
Fiches 3 - 4
Wanneer het cassatieberoep tegen een veroordelend arrest verworpen wordt,
heeft het cassatieberoep tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding
geen bestaansreden meer (1).
Thesaurus CAS:
CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN
CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden
Vrije woorden:
CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep
- Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden - Gemis aan bestaansreden
- Veroordelend arrest - Verwerping van het cassatieberoep - Bevel tot
onmiddellijke aanhouding - Cassatieberoep - Ontvankelijkheid
Thesaurus CAS:
VOORLOPIGE HECHTENIS
Vrije woorden:
VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING - Cassatieberoep - Ontvankelijkheid
Nota:
RG P.01.1035.F Conclusie van adv.-gen. J. Spreutels :
I. Over
de door eiser ingestelde cassatieberoepen :
1. Het eerste
middel is gericht tegen het arrest van 27 juni 2000 van het Hof van Beroep
te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling.
Op 15 mei 1996
heeft uw Hof, met toepassing van art. 6, W. 22 maart 1996 betreffende
de erkenning van en de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor
voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Ruanda, bevolen
om het dossier 37/95 te onttrekken aan onderzoeksrechter Vandermeersch,
in zoverre dat dossier m.n. betrekking had op eiser. Op 13 aug. 1996 heeft
uw Hof, na te hebben vastgesteld dat het Internationaal Straftribunaal
voor Ruanda de door de procureur inzake eiser opgemaakte akte van beschuldiging
bij beslissing van 8 aug. 1996 niet had bevestigd, met toepassing van
art. 8 van de voormelde wet beslist om de zaak van die procureur te verwijzen
naar onderzoeksrechter Vandermeersch, opdat hij, m.b.t. eiser, zijn onderzoek
37/95 zou voortzetten dat was onderbroken door het voormelde arrest van
onttrekking van 15 mei 1996.
De beslissing van 8 aug. 1996
van het Internationaal Tribunaal was als volgt gesteld : 'Rejetons
l'acte d'accusation transmis par le Procureur, pour chacun des
chefs d'accusation, et déclarons qu'au vu des éléments soumis
par le Procureur, pour chacun des chefs d'accusation présentés
dans l'acte d'accusation, nous n'estimons pas qu'il
existe des présomptions suffisantes ; déclarons en outre que pour plusieurs
des actes cités dans les éléments justificatifs et sur lesquels est
fondé l'acte d'accusation, il n'a pas été suffisamment
prouvé que ces actes ont été commis au su et avec l'approbation
de l'accusé, ce qui lierait ainsi l'accusé aux dits actes'.
Bij de regeling van de rechtspleging had eiser voor de kamer
van inbeschuldigingstelling de onbevoegdheid van dat gerecht aangevoerd,
aangezien er geen nieuwe bezwaren voorhanden waren die een hindernis konden
vormen voor het gezag van gewijsde van de beslissing van het Internationaal
Tribunaal om de akte van inbeschuldigingstelling niet te bevestigen. Het
hof van beroep verwierp dat argument, op grond dat het niet aan de Belgische
gerechten stond 'die beslissing, die niet aan de Belgische wetsbepalingen
is onderworpen, gelijk te schakelen met een beschikking tot buitenvervolgingstelling
of met een seponering' en dat de onderzoeksgerechten bevoegd zijn
'zonder dat onderzocht moet worden of het onderzoek, dat sinds het
arrest van 13 aug. 1996 (van het Hof van Cassatie) is gevoerd, al dan
niet nieuwe bezwaren heeft opgeleverd'. Het bestreden arrest stelde
verder vast dat het onderzoek 'voldoende bezwaren (had) opgeleverd
om (eisers) inbeschuldigingstelling te verantwoorden'. Het verduidelijkte
dat die bezwaren het gevolg waren van 'talrijke beschuldigingen van
verscheidene getuigen' en 'het gebrek aan voldoende bezwaren
niet kan worden afgeleid (uit) de afwezigheid van vervolgingen voor het
Internationaal Tribunaal'. Voor het overige beperkte het hof van
beroep zich ertoe 'op onaantastbare wijze vast te stellen dat er
t.a.v. (eiser) voldoende bezwaren bestaan op grond waarvan (hij) naar
het bodemgerecht kon worden verwezen, en het niet opportuun acht(te) een
uitvoerig antwoord te geven op argumenten die bezwaren en bewijzen door
elkaar haalden en op voorbarige wijze leiden tot beslissingen van vrijspraak'.
2. Het eerste middel verwijt 'het bestreden arrest van
de kamer van inbeschuldigingstelling eiser naar het hof van assisen te
verwijzen, na te hebben beslist dat zij bevoegd was om dat te doen, ondanks
de beslissing van 8 augustus 1996 van het Internationaal Straftribunaal
voor Ruanda om de akte van beschuldiging te verwerpen en ondanks het feit
dat zij niet heeft vastgesteld dat er nieuwe bezwaren voorhanden waren'.
Het eerste onderdeel van het middel gaat uit van de veronderstelling
dat art. 8, W. 22 maart 1996, de beslissing van het Internationaal Tribunaal,
dat de akte van beschuldiging niet bevestigt, haar rechtsgevolgen in de
Belgische rechtsorde niet ontneemt. Volgens eiser zijn de regels van de
gemeenrechtelijke procedure, m.n. het beginsel van het 'betrekkelijk
gezag van gewijsde', van toepassing, eens de zaak door het arrest
van het Hof van Cassatie opnieuw bij het gerecht aanhangig is gemaakt.
Dat beginsel kan volgens hem zowel worden afgeleid uit art. 47 (E), Reglement
van het Internationaal Tribunaal, als uit de artt. 128, 246 en 247 Sv.
Door te concluderen tot de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling,
zonder acht te slaan op de beslissing tot verwerping van het Tribunaal,
en 'zonder het bestaan van nieuwe bezwaren te onderzoeken',
zou het bestreden arrest dat art. 8 schenden, wat een aantasting van het
gezag van gewijsde van het arrest van het Tribunaal en van het voormelde
'algemeen beginsel' zou impliceren. Daarenboven zou het bestreden
arrest de draagwijdte van het arrest van het Hof van Cassatie van 13 aug.
1996 miskennen, zoals die uit dat art. 8 zou voortvloeien. Dat zou leiden
tot een miskenning van het gezag van gewijsde van dat arrest en, voor
zover nodig, van de bewijskracht ervan. Als het bestreden arrest overigens
zo moet worden geïnterpreteerd dat het beslist heeft dat het Hof van
Cassatie het gezag van gewijsde van de beslissing tot verwerping van het
Internationaal Tribunaal onderzocht heeft en het bestaan van nieuwe bezwaren
tegen eiser beoordeeld heeft, miskent het, volgens het middel, de bewijskracht
van het arrest van het Hof van Cassatie, en, voor zover nodig, het gezag
van gewijsde ervan.
3. De grieven, die betrekking hebben op
de vermeende miskenning door de kamer van inbeschuldigingstelling van
het arrest van 13 aug. 1996 van uw Hof, missen m.i. feitelijke grondslag.
De kamer van inbeschuldigingstelling heeft immers uitsluitend beslist
'dat het noch aan de raadkamer noch aan de kamer van inbeschuldigingstelling
staat de wettigheid en de opportuniteit van het arrest van 13 augustus
1996 (van het Hof van Cassatie) te betwisten'. Het hof van beroep
heeft geenszins geoordeeld dat het Hof van Cassatie het gezag van gewijsde
van de beslissing van het Internationaal Tribunaal heeft onderzocht en
evenmin dat het het bestaan van nieuwe bezwaren heeft beoordeeld. Het
middel steunt, wat dat betreft, dus op een, m.i., onjuiste lezing van
het bestreden arrest. Daarenboven verwijt het middel het bestreden arrest
niet te hebben beslist dat het arrest van uw Hof een vermelding bevat
die er niet in voorkomt of geen vermelding bevat die er wel in voorkomt.
Het miskent de bewijskracht van die akte dus niet . Daarenboven faalt
het middel m.i. naar recht, wanneer het het bestreden arrest verwijt het
gezag van gewijsde van het arrest van uw Hof te miskennen, dat, ik herhaal,
zich ertoe beperkt de zaak naar de onderzoeksrechter te verwijzen met
het oog op de voortzetting van zijn onderzoek.
4. Het onderdeel
faalt volgens mij eveneens naar recht, in zoverre het de miskenning aanvoert
van een algemeen rechtsbeginsel betreffende het betrekkelijk gezag van
gewijsde in strafzaken, aangezien een dergelijk beginsel m.i. niet bestaat.
Volgens eiser zou dat beginsel zijn vastgelegd in de artt. 246 en 247
Sv., alsook in art. 47 (E), Reglement van het Internationaal Tribunaal.
Het middel is weliswaar eveneens gegrond op de miskenning van het algemeen
rechtsbeginsel van het betrekkelijk gezag van het gewijsde in strafzaken.
In werkelijkheid is dat beginsel m.i. noch van toepassing
op de bij de artt. 246 en 247 Sv. bedoelde situatie, noch op de bij art.
47 (E) van het voormelde reglement bedoelde situatie.
Ik herhaal
dat krachtens de artt. 246, 247 en 248 Sv., een onderzoek dat afgesloten
wordt met een beslissing tot buitenvervolgingstelling, alleen kan worden
heropend en de verdachte die buiten vervolging is gesteld alleen voor
hetzelfde feit naar het vonnisgerecht kan worden verwezen, als er nieuwe
bezwaren voorhanden zijn en dit uitsluitend wanneer het O.M. zulks vordert.
Die bezwaren bestaan uit zaken als getuigenverklaringen, stukken en processen
verbaal die niet aan het onderzoeksgerecht zijn voorgelegd, maar die ertoe
strekken bewijzen te versterken die door het onderzoeksgerecht te zwak
waren bevonden of aan de feiten nieuwe ontwikkelingen te geven op grond
waarvan de waarheid aan het licht kan worden gebracht .
Een
beslissing van buitenvervolgingstelling maakt slechts een voorlopig einde
aan de strafvervolgingen . In de regel hebben de beslissingen van de onderzoeksgerechten
alleen gezag van gewijsde in de gevallen waarin de wet hen de bevoegdheid
toekent om, net als de vonnisgerechten, over de grond van de zaak te beslissen
. Dat geldt dus niet voor de beschikking of het arrest van buitenvervolgingstelling
die door een onderzoeksgerecht gewezen worden wegens het ontbreken van
voldoende bezwaren tegen de verdachte .
Ik herhaal dat het
dus om een voorlopige beslissing gaat waarvan het gezag niet zo ver reikt
als dat van beslissingen tot vrijspraak en omgekeerd kan worden in de
hierboven vermelde omstandigheden . Hieruit vloeit geen enkel rechtsbeginsel
voort.
Hieraan moet worden toegevoegd dat het tevens uitgesloten
is dat het bestreden arrest de voormelde artt.
246 en 247
schendt. Die wetsbepalingen hebben alleen betrekking op de beslissingen
van de Belgische gerechten en geenszins op die van het Internationaal
Tribunaal. Het middel voert overigens de schending van die bepalingen
alleen aan in zoverre zij 'de uitdrukking vormen van een algemeen
beginsel van het (relatieve of precaire) gezag van gewijsde'.
Hoe staat het met het gezag van de beslissing van het Internationaal
Tribunaal m.b.t. de verwerping van de akte van beschuldiging? De verwerping
van de akte van beschuldiging is voorzien in art. 18.1, Statuut van het
Internationaal Tribunaal voor Ruanda : 'de rechter van de Kamer van
eerste aanleg bij wie de akte van beschuldiging aanhangig is gemaakt,
onderzoekt deze akte. Indien hij van mening is dat de Procureur heeft
aangetoond dat op grond van de vermoedens vervolging moet worden ingesteld,
bevestigt hij de akte van beschuldiging. Anders verwerpt hij ze'.
Art. 47 (D), Rechtsplegings- en bewijsvoeringsreglement bepaalt : 'de
rechter kan elk punt van beschuldiging bevestigen of verwerpen' en
art. 47 (E) van datzelfde Reglement bepaalt : 'als een punt van beschuldiging
verworpen is, is het de Procureur niet verboden om een nieuwe akte van
beschuldiging op te stellen op basis van de feiten van de verworpen akte
van beschuldiging, voor zover aanvullende bewijzen tot staving worden
aangebracht' .
M.i. dient dezelfde denkwijze gevolgd
te worden m.b.t. die beslissing. Alleen de beslissingen van het Tribunaal
die uitspraak doen over de grond van de voor dat tribunaal gebrachte rechtsvordering
hebben gezag van gewijsde. Dat volgt uit art. 9.1 van het Statuut van
het Internationaal Tribunaal voor Ruanda, gevoegd bij de Resolutie 955
(1994), op 8 nov. 1994 goedgekeurd door de Veiligheidsraad van de Verenigde
naties, dat bepaalt : 'niemand mag voor een nationaal rechtscollege
worden gedaagd voor feiten die ernstige schendingen van het internationale
humanitaire recht vormen in de zin van dit statuut indien hij voor diezelfde
feiten reeds door het Internationaal Tribunaal voor Ruanda werd berecht'.
Uit het voormelde art. 47 (E) blijkt duidelijk dat de beslissingen
tot verwerping van de akte van inbeschuldigingstelling eveneens voorlopig
zijn en geen gezag van gewijsde hebben t.a.v. het Internationaal Tribunaal,
waarbij dezelfde feiten aanhangig kunnen worden gemaakt onder de daarin
bepaalde voorwaarden.
5. Het eerste middel faalt m.i. evenzeer
naar recht, in zoverre het de schending aanvoert van art. 8, W. 22 maart
1996. Wat dat betreft moet allereerst de draagwijdte van die bepaling
worden verduidelijkt, luidens hetwelk : 'Ingeval het Tribunaal, nadat
de zaak aan het Belgisch gerecht is onttrokken, mededeelt dat de Procureur
besloten heeft geen akte van beschuldiging op te stellen, dat het Tribunaal
deze akte niet heeft bevestigd of dat het Tribunaal zich onbevoegd heeft
verklaard, regelt het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal
en na de betrokkene te hebben gehoord, de procedure en beveelt, in voorkomend
geval, de verwijzing naar het bevoegde hof, de bevoegde rechtbank of het
bevoegde onderzoeksgerecht'.
De memorie van toelichting
van de ontwerp van wet verantwoordt die bepaling op grond dat het Tribunaal
kan beslissen '(...) om de procedure niet verder te zetten, hetzij
omdat de verzamelde bewijselementen onvoldoende zijn, hetzij omdat de
zaak niet ernstig genoeg blijkt te zijn, rekening houdend met de beperkte
werkingsmiddelen waarover de Internationale Tribunalen beschikken en met
de keuzen die zich daardoor opdringen. In dit geval, is het noodzakelijk
toe te laten dat de interne vervolgingen hernomen worden'. De tekst
van het ontwerp, dat door de Kamer is goedgekeurd, vermeldde alleen dat
'(...) het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal
en na de betrokkene te hebben gehoord, beslist tot onttrekking van de
zaak aan het Belgisch gerecht waarbij hetzelfde feit aanhangig is gemaakt'.
Over die kwestie is een vrij uitgebreid debat gevoerd in de
Commissie voor de Justitie van de Senaat .
Een senator heeft
de volgende mening geformuleerd : 'de zaak opnieuw verwijzen naar
de Belgische gerechten is alleen aanvaardbaar in gevallen waarin het Internationaal
Tribunaal een beslissing zou nemen die gelijkstaat met het seponeren van
de zaak. Een buitenvervolgingstelling is echter een beslissing die vaststelt
dat er geen bezwarende feiten zijn. In dat geval kan er geen sprake van
zijn dezelfde feiten opnieuw aanhangig te maken bij de Belgische gerechten'
. Die hypothese stemt volgens hem overeen met die van art. 7 (thans 8)
van het ontwerp van wet .Hij voegt eraan dat art. 47 (E) van het Rechtsplegingsreglement
'kennelijk doelt op het geval van de buitenvervolgingstelling, wat
uiteraard nieuwe vervolgingen niet uitsluit wanneer er nieuwe gegevens
aan het licht komen. Gesteld dat het Internationaal Tribunaal het verantwoord
vindt tot de buitenvervolgingstelling te beslissen, hoe kan een Belgisch
rechtscollege dan zijn eisen hoger stellen?' .
De verslaggever
vat het debat als volgt samen : 'dat de procedure voor het Internationaal
Tribunaal ten einde loopt : 1° als de procureur geen 'acte d'accusation'
opstelt ; 2° als de 'acte d'accusation' niet wordt bevestigd
; 3° als het Internationaal Tribunaal zich onbevoegd verklaart'
. De Commissie stelt bijgevolg de volgende tekst voor : 'het Hof
van Cassatie regelt de procedure en beveelt de verwijzing zo dat nodig
blijkt...' .
Vervolgens wordt een amendement neergelegd,
dat enkele vormverbeteringen bevat. Die tekst, die door de Commissie goedgekeurd
wordt, zal art. 8 van de wet worden. Een senator 'die zich heeft
onthouden, geeft als verantwoording dat er maar één reden is waarom
de zaak terug verwezen kan worden naar het bevoegde Belgische gerecht,
nl. de onbevoegdheid van het Internationaal Tribunaal. Voor de andere
in het artikel bedoelde gevallen mag ervan uitgegaan worden dat er onvoldoende
bezwarende feiten zijn. De rapporteur merkt op dat de tekst bepaalt dat
de zaak 'in voorkomend geval' verwezen wordt. Bovendien kan
de onbevoegdheid van het Tribunaal eveneens ten grondslag liggen aan het
besluit van de procureur om geen akte van beschuldiging op te stellen
of aan het besluit van het Tribunaal om deze akte niet te bevestigen'
. Dezelfde kritiek wordt geuit door de heer Desmedt in de openbare terechtzitting
van de Senaat .
Die mening wordt echter door niemand gedeeld,
zodat uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat de wetgever
erkend heeft dat de Belgische gerechten opnieuw van de zaak kunnen kennisnemen
in geval van verwerping van de akte van inbeschuldigingstelling door het
Internationaal Tribunaal, zelfs bij gebrek aan nieuwe bezwaren.
6. Dat is niet uitsluitend het geval voor het Hof van Cassatie ,
maar tevens voor de gerechten waarbij de zaak opnieuw aanhangig wordt
gemaakt t.g.v. het arrest van het Hof van Cassatie. Drie gevallen kunnen
zich voordoen. In het eerste geval wordt de zaak, zoals te dezen, vóór
het afsluiten van het onderzoek aan de onderzoeksrechter onttrokken ten
voordele van het Internationaal Tribunaal. In het tweede geval werd de
zaak aan het onderzoeksgerecht onttrokken voordat het uitspraak heeft
kunnen doen over de vorderingen van het O.M. In het derde geval wordt
de zaak aan het vonnisgerecht onttrokken voordat het uitspraak heeft kunnen
doen over de grond van de zaak. Moet er voor elk geval een andere denkwijze
gevolgd worden? Ik denk het niet. In de drie gevallen heeft het Internationaal
Tribunaal de door zijn procureur opgemaakte akte van inbeschuldigingstelling
verworpen. Het Tribunaal kan dat hebben gedaan omdat er, zoals te dezen,
onvoldoende bewijzen tegen de beschuldigde voorhanden waren. In de drie
gevallen kan een nieuwe akte van beschuldiging aanhangig worden gemaakt
bij het Tribunaal, die steunt op bijkomende bewijzen. Op dat ogenblik
zou de zaak m.i. opnieuw onttrokken moeten worden aan het Belgisch gerecht.
Als aangenomen wordt dat het gezag van de beslissing tot verwerping
van de akte van beschuldiging door het Tribunaal, wegens de voorrang die
het Tribunaal op de nationale gerechten geniet, impliceert dat de Belgische
gerechten alleen opnieuw van de zaak kunnen kennisnemen als er nieuwe
bewijzen zijn, dan geldt dit in de drie hierboven beschouwde gevallen.
Dat zou zelfs betekenen dat het vonnisgerecht, bij gebrek aan dergelijke
bewijzen, de beklaagde of de beschuldigde zou moeten vrijspreken zonder
gebruik te kunnen maken van de bewijzen die reeds zijn verkregen in de
rechtspleging die vóór de beslissing van het Internationaal Tribunaal
is gevoerd. Zoals professor Eric David beklemtoont, 'la décision
du TPI de renoncer aux poursuites, quelle qu'en soit la cause, laisse
entière la liberté d'appréciation des autorités judiciaires belges
de poursuivre ou non. La décision du Procureur ou d'un juge du TPI
de ne pas poursuivre l'affaire n'est pas une décision de fond
sur d'éventuelles violations du droit humanitaire, hypothèse où
le statut lui-même prévoit l'application de non bis in idem dans
tout Etat qui voudrait poursuivre pour les mêmes faits (Statut, art.
10/9, § 1er)' . De beslissing tot verwerping van de akte van beschuldiging
staat niet gelijk met vrijspraak .
Net als de beslissing van
de Procureur van het Internationaal Tribunaal niet beantwoordt aan dezelfde
beoordelingscriteria als die van het interne recht , kan het Tribunaal
zelf andere regels toepassen dan die welke de nationale gerechten in acht
dienen te nemen, m.n. wat het bewijs van de misdrijven betreft . Meer
bepaald: 'la prédominance du caractère anglo-saxon dans les règles
de procédure et de preuve incite les instances du Tribunal international
à écarter les éléments de preuve recueillis par les juridictions nationales
et plus spécialement les auditions d'inculpés et les témoignages
obtenus dans le cadre des procédures nationales soumises à des règles
de procédure différentes. Ainsi, lors d'un dessaisissement d'un
juge national, le Bureau du Procureur réitère les devoirs d'enquête
déjà réalisés afin de se trouver en conformité avec les règles de
ce Tribunal' . Dat sluit niet uit dat, zoals dat blijkbaar te dezen
het geval is geweest , bepaalde gegevens uit het nationaal onderzoek daadwerkelijk
aan het Internationaal Tribunaal zijn voorgelegd.
Beide niveaus
zijn dus wel degelijk van elkaar gescheiden. Het Internationaal Tribunaal
heeft uitsluitend voorrang op de nationale gerechten in de mate die is
aangegeven bij de artt. 8.2 en 9 van zijn Statuut, alsook van de artt.
8 tot 13 van zijn Reglement inzake Procedure.
Er bestaat een
ander, groot verschil tussen beide rechtsplegingen. Na een beslissing
tot verwerping van de akte van inbeschuldigingstelling, kan de Procureur
van het Internationaal Tribunaal zijn onderzoek voortzetten teneinde mogelijke
nieuwe aanvullende bewijzen te verzamelen die als grondslag kunnen dienen
voor een nieuwe akte van beschuldiging . Volgens het Belgisch recht moeten
er eerst nieuwe bezwaren in de zin van art. 246 Sv. bestaan voordat het
onderzoek kan worden hervat .
7. Het eerste middel faalt ten
slotte ook naar recht, in zoverre het de schending aanvoert van de door
dat middel vermelde artikelen van het Statuut van het Internationaal Tribunaal
alsook van art. 47 (E), Rechtsplegingsreglement van dat Tribunaal, aangezien,
ik herhaal het, die bepalingen alleen betrekking hebben op de rechtspleging
voor dat Tribunaal en geenszins op die voor de Belgische gerechten.
8. Het tweede onderdeel van het middel gaat uit van de subsidiair
vermelde veronderstelling dat art.
8, W. 22 maart 1996, de
voormelde bepalingen schendt en die beginselen miskent, en dat het arrest
dat deze bepalingen en beginselen toepast, het algemeen rechtsbeginsel
miskent volgens hetwelk de internationale rechtsnorm met rechtstreekse
werking in het interne recht voorrang heeft op de interne rechtsnorm,
het bij analogie toegepaste art. 159 Gw. alsook de in dat onderdeel bedoelde
bepalingen van internationaal recht schendt.
Het onderdeel
faalt m.i. naar recht. Zoals ik immers heb trachten te bewijzen in antwoord
op het eerste onderdeel van het middel, zijn de regels die van toepassing
zijn op de rechtspleging voor het Internationaal Tribunaal en op zijn
interne werking, en die door dat gerecht zijn uitgewerkt, niet van toepassing
op de rechtspleging voor de Belgische rechtscolleges. Het voormelde art.
8 schendt de in het eerste onderdeel bedoelde rechtsnormen niet en het
bestreden arrest, dat dit art. 8 toepast door daaraan die draagwijdte
te geven, schendt die normen dus evenmin.
9. De andere middelen
zijn gericht tegen het tussenarrest van 18 april 2001 van het Hof van
Assisen van het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad. Dat arrest
verwerpt de excepties van niet ontvankelijkheid van de vervolgingen, die
subsidair ertoe strekten verschillende stukken uit het dossier te weren
en het onderzoek van de zaak op te schorten totdat de rechtspleging in
een andere zaak ten laste van onbekenden was geregeld.
Het
tweede middel kan m.i. niet worden aangenomen. Het voert de schending
aan van de artt. 128, 235bis, 246 en 247 Sv. Het verwijt het bestreden
arrest de door eiser in conclusie geformuleerde vordering, die ertoe strekte
de vervolgingen die tegen hem waren ingesteld sinds de beslissing van
8 aug. 1996 van het Internationaal Tribunaal voor Ruanda om de akte van
beschuldiging van zijn procureur te verwerpen, niet ontvankelijk en, op
zijn minst, niet gegrond te verklaren.
Eiser voerde in substantie
aan dat de beslissing tot verwerping door het Internationaal Tribunaal
van de akte van beschuldiging soortgelijke vervolgingen op nationaal vlak
uitsloot, omdat die internationale beslissing, volgens hem, gezag van
gewijsde had en omdat het O.M. geen nieuwe feiten of bezwaren aanvoerde.
Het hof van assisen heeft die vordering verworpen, op grond
dat 'dat argument reeds door (eisers) verdediging is aangevoerd voor
de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel,
die daarop antwoordde in zijn arrest van 27 juni 2000, waarbij dat onderzoeksgerecht
de beschuldigde, samen met anderen, naar het hof van assisen heeft verwezen
(...) ; dat die beschuldigde tegen dat arrest cassatieberoep heeft ingesteld
maar vervolgens ervan afstand heeft gedaan'. Na de bewoordingen van
art. 235bis Sv. te hebben herhaald, stelt het bestreden arrest vast 'dat
de door (eiser) voor het hof van assisen aangevoerde grond van niet ontvankelijkheid
reeds door de kamer van inbeschuldigingstelling is onderzocht en niet
na het debat voor dat onderzoeksgerecht is ontstaan ; (...) dat, bijgevolg,
de vordering (...) die ertoe strekt de huidige, tegen hem ingestelde vervolgingen
niet ontvankelijk te verklaren, niet kan worden aangenomen door het hof
van assisen'. Het bestreden arrest voegt daaraan toe dat er wel degelijk
nieuwe bezwaren zijn verkregen na het arrest van 8 aug. 1996 dat de zaak
opnieuw bij het hof van assisen aanhangig heeft gemaakt, en geeft een
opsomming van die bezwaren. De vordering is dus op zijn minst niet gegrond.
Die laatste overweging is m.i. overtollig. Het middel is volgens
mij niet ontvankelijk, in zoverre het daartegen gericht is, de schending
van de artt. 128, 246 en 247 Sv. aanvoert en het hof van assisen verwijt
uitspraak te hebben gedaan 'over de gegrondheid van een vraag die
alleen tot de bevoegdheid van de onderzoeksgerechten behoort'.
10. Voor het overige voert het middel aan dat het bestreden arrest
art. 235bis van dat wetboek schendt, aangezien uit dat art. zou volgen
'dat de aan de kamer van inbeschuldigingstelling voorgelegde middelen
van niet ontvankelijkheid van de strafvordering niet opnieuw kunnen worden
voorgelegd aan de bodemrechter, naar wie de zaak is verwezen, tenzij het
middel de bewijswaardering of de openbare orde raakt ; dat een middel
van niet ontvankelijkheid van de vervolgingen, zoals eiser te dezen aanvoert,
dat gegrond is op het betrekkelijk gezag van gewijsde van een beslissing
tot buitenvervolgingstelling en op het gebrek aan nieuwe bezwaren sinds
die beslissingen, tot die excepties behoort ; dat elke vordering die ertoe
strekt de strafvordering niet ontvankelijk te doen verklaren op grond
van het gezag van gewijsde, bijgevolg kan worden voorgelegd aan het bodemgerecht,
te dezen het hof van assisen, ook al heeft de kamer van inbeschuldigingstelling
het reeds verworpen'. Het middel faalt m.i. eveneens naar recht,
aangezien het hof van assisen zijn beslissing volgens mij naar recht heeft
verantwoord.
Art. 235, dat in het Sv. is ingevoegd bij de
W. 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium
van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, voert een zogenaamde
zuivering van nietigheden in . Paragraaf 5 legt de volgende regel vast
: 'de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in
artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die
door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet
meer opgeworpen worden voor de feitenrechter', alsook een exceptie
op die regel : 'behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering
of die de openbare orde aanbelangen'. Diezelfde paragraaf voegt daaraan
een tweede regel en een tweede exceptie toe : 'hetzelfde geldt voor
de gronden van niet ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering,
behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling'.
Wat is de wisselwerking tussen die twee regels en, meer in het bijzonder,
wat is de betekenis van de woorden 'hetzelfde geldt'? Wat dat
betreft bestaan er twee tegengestelde opvattingen. Volgens de eerste,
ruime opvatting, die door het middel en door een gedeelte van de rechtsleer
wordt aangenomen , is het voorbehoud betreffende de openbare orde eveneens
van toepassing op de gronden van niet ontvankelijkheid of verval van de
strafvordering.
Volgens de tweede verwijzen de woorden 'hetzelfde
geldt' uitsluitend naar de eerste, in de paragraaf vermelde regel
en niet naar de uitzondering daarop . Dat is wat het bestreden arrest
beslist.
De analyse van de parlementaire voorbereiding van
de wet bevestigt m.i. die laatste oplossing. De tweede regel is t.g.v.
een opmerking van de Raad van State ingevoegd, nog vóór de uitzondering
op de eerste regel is vermeld tijdens het onderzoek van het ontwerp door
de Commissie voor de Justitie van de Senaat.
Op grond van
het verslag van die commissie kan de bedoeling van de wetgever wat dat
betreft ongetwijfeld beter worden verduidelijkt . De discussie betrof
immers eerst de vraag van de verjaring van de strafvordering.
Volgens een lid was de onmogelijkheid om nog langer 'de verjaring
te pleiten' voor de bodemrechter, d.w.z.
het verval van
de strafvordering in geval van beslechting van de vraag door de raadkamer
of door de kamer van inbeschuldigingstelling, strijdig met het E.V.R.M.
Wat het lid zorgen baarde, was de niet openbaarheid van het debat voor
de onderzoeksgerechten . Hij gaf ook het voorbeeld van de onregelmatige
telefoontap, d.w.z. van een nietigheidsgrond. In zijn antwoord kon professor
Franchimont zich bij die tussenkomst niet aansluiten. Hij wees erop dat
'l'article 135 prévoit qu'il en va de même pour les causes
d'irrecevabilité ou d'extinction de l'action publique
visées à l'alinéa 3, sauf lorsqu'elles sont acquises postérieurement
au débat devant la chambre des mises en accusation. L'exception
quant à la prescription est d'ordre public'.
Senator
Vandenberghe meende toen dat verduidelijkt diende te worden dat die regel
niet geldt voor nietigheden van openbare orde. Hij legde bijgevolg een
amendement neer , dat als volgt was gesteld : 'de eerste zin van
het vijfde lid van het voorgestelde artikel 135 aanvullen met de woorden
'of die de openbare orde aanbelangen''. De volgende verantwoording
wordt gegeven : 'de ontworpen regeling kan vanzelfsprekend enkel
gelden voor middelen die niet de openbare orde betreffen'. Vervolgens,
'un membre estime qu'il est question ici d'incidents de
procédure et que la purge ne peut avoir qu'une signification limitée
et ne se défend que lorsque les incidents de procédure en question sont
des incidents mineurs. Il ne lui semble pas possible de faire fi de la
règle de la publicité en ce qui concerne les incidents majeurs, dont
la conclusion est également obligatoire en ce qui concerne le fond de
l'affaire'. Professor Franchimont was het toen eens met het
amendement nr. 112 van de heer Vandenberghe. Het is die tekst die, opgenomen
in een amendement van de regering en met instemming van de heer Vandenberghe,
aangenomen zou worden.
Men stelt dus vast dat het debat weliswaar
eerst betrekking had op een grond van verval van de strafvordering, maar
dat het verval, de verantwoording van amendement nr. 112 en de daaropvolgende
discussie alleen nog betrekking hadden op nietigheidsgronden. Men had
zonder twijfel beseft dat de vraag van de zuivering niet kon worden gesteld
m.b.t. de verjaring die, door de aard ervan, in alle standen van de rechtspleging
kan worden aangevoerd . Daarenboven is er geen enkele grond van niet ontvankelijkheid
of van verval van de strafvordering die de openbare orde niet raakt. Het
zou bijgevolg om een loutere tautologie gaan. Ten slotte gaat de door
het middel voorgestelde uitlegging in tegen de doelstelling van de wetgever,
zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van art. 235bis, § 5, die eerst
vermelden dat de zuivering van de nietigheden de regel is. Zoniet zou
die regeling geen enkel werkelijk nut hebben . Zoals raadsheer de Codt
geschreven heeft, 'si l'on part de l'idée que la loi a
un sens, il faut admettre qu'elle ne peut, dans le même temps, poser
une règle et la vider de toute substance par une exception dont le contenu
serait aussi englobant que celui du principe auquel elle déroge'
.
Ik meen dat ik, tot staving van die oplossing, tevens uw
arrest van 14 april 1999 kan aanvoeren . In dat geval had de kamer inbeschuldigingstelling,
waarbij een hoger beroep aanhangig was gemaakt dat beperkt was tot de
voorlopige hechtenis, ambtshalve uitspraak gedaan over een grond van niet
ontvankelijkheid van de strafvordering . Zij had vastgesteld dat de als
moord gekwalificeerde feiten definitief waren berecht onder de kwalificatie
onopzettelijke doding, wat impliceerde dat het verboden was ze opnieuw
te berechten, zelfs onder een nieuwe kwalificatie. Uw Hof heeft het cassatieberoep
verworpen dat de procureur generaal bij het hof van beroep had ingesteld
tegen een later arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat de
vordering had verworpen waarbij die procureur generaal voor recht wilde
doen zeggen dat de reeds door de correctionele rechtbank berechte feiten
verschilden van die waarop de nieuwe vervolgingen gegrond waren en dat
de thans ingestelde strafvordering dus ontvankelijk was. Uw Hof heeft
beslist dat uit art.
235bis, § 5, Sv. volgt dat het arrest
van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat uitspraak had gedaan over
die grond van niet ontvankelijkheid van de strafvordering, eraan in de
weg staat dat hetzelfde middel opnieuw voor de bodemrechter wordt aangevoerd
en dat dergelijk arrest a fortiori tevens bindend is voor het rechtscollege
dat het arrest gewezen heeft. Uw Hof heeft, m.i., aldus impliciet doch
zeker beslist dat de in art. 235bis bedoelde exceptie van de middelen
die de openbare orde raken, geen betrekking heeft op de gronden van niet
ontvankelijkheid of verval van de strafvordering.
11. Het
derde middel voert de schending van art. 6.1 E.V.R.M. aan, alsook de miskenning
van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en
van het recht van verdediging. Het verwijt het hof van assisen de vordering
te hebben verworpen die eiser in conclusie had aangevoerd teneinde de
stukken van het Internationaal Tribunaal uit het dossier te weren, die
door de onderzoeksrechter waren verkregen en tijdens het debat van het
hof van assisen bij het dossier waren gevoegd. In antwoord op eisers argumenten
had het bestreden arrest beslist dat 'het beginsel van het recht
op tegenspraak, dat niet onderscheiden is van de uitoefening van het recht
van verdediging, niet wordt aangetast, als (eiser), althans vóór het
openen van het debat voor het hof van assisen, van het volledige dossier
inzage heeft kunnen nemen' en 'dat hij zich tijdens het debat
daarover (heeft) kunnen uitspreken', alsook 'elk gegeven ten
ontlaste heeft kunnen aanvoeren voor' het hof van assisen, 'hoewel
hij, volgens eigen zeggen, geen inzage heeft gehad in de getuigenissen
die eventueel door het Internationaal Tribunaal voor Ruanda zijn verkregen
en die dat Tribunaal niet aan de onderzoeksrechter heeft meegedeeld'.
Volgens het middel schendt het bestreden arrest de voormelde bepaling
en beginselen, 'aangezien het van het Internationaal Tribunaal afkomstige
documenten ten laste bij het dossier voegt, op grond dat eiser, in antwoord
op die documenten, elk gegeven ten ontlaste kon aanvoeren voor het hof
van assisen, enerzijds, maar tegelijkertijd ook beslist dat het niet terzake
doet dat eiser mogelijk geen inzage heeft gekregen in het volledige dossier
van het Internationaal Tribunaal'.
Het vierde middel
voert de schending aan van de artt. 6.1 E.V.R.M. en 14.3.c I.V.B.P.R.,
alsook de miskenning van de algemene beginselen van het recht op een eerlijk
proces en van het recht van verdediging. Het verwijt het bestreden arrest
de door eiser in conclusie subsidiair geformuleerde vordering te hebben
verworpen, die ertoe strekte de uitspraak op te schorten totdat het onderzoek
van onderzoeksrechter Vandermeersch tegen onbekende(n), betreffende feiten
die te Ruanda zijn gepleegd tussen 5 april en 4 juli 1994 is afgesloten,
aangezien dat onderzoek gegevens, m.n. gegevens ten ontlaste, aan het
licht kan brengen die verschillen van die welke door het hof van assisen
reeds zijn verkregen en in het debat voor dat hof betreffende eisers zaak
zijn gebracht. Het hof van assisen verwerpt die vordering, op grond dat
'als gewacht wordt tot het onderzoek inzake onbekende(n), dat thans
door onderzoeksrechter Vandermeersch gevoerd wordt, afgesloten wordt alvorens
de naar dit hof van assisen verwezen beschuldigden of een van hen te berechten,
hun berechting een ernstige vertraging zou kunnen oplopen' en dat
'een dergelijke vertraging strijdig zou zijn met een goede rechtsbedeling
in de zin van art. 6.1 van het (voormelde) Verdrag, volgens hetwelk eenieder
recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn,
en in de zin van art. 14.3.c I.V.B.P.R., volgens hetwelk eenieder die
wegens een strafbaar feit vervolgd wordt, recht heeft zonder onredelijke
vertraging te worden berecht'. Volgens het middel 'kon het bestreden
arrest niet zonder de voormelde beginselen te miskennen, enerzijds, de
documenten in het debat van het proces tegen eiser brengen die door de
onderzoeksrechter zijn verkregen in het kader van zijn nog niet afgesloten
onderzoek tegen onbekende(n) wegens de feiten die te Ruanda zijn gepleegd
tussen 5 april en 4 juli 1994 en, anderzijds, de subsidiaire vordering
verwerpen die eiser had ingesteld teneinde de uitspraak op te schorten
totdat het voormelde onderzoek was beëindigd' op grond van de hierboven
weergegeven redenen.
12. Aangezien beide middelen met elkaar
verbonden zijn, moeten zij, me dunkt, gezamenlijk beantwoord worden.
Vooreerst is het vierde middel m.i. niet ontvankelijk, in zoverre
het gericht is tegen een volgens mij overtollige overweging van het bestreden
arrest, waarin het risico van de overschrijding van de redelijke termijn
wordt aangevoerd. De middelen zijn m.i. eveneens niet ontvankelijk, in
zoverre zij steunen op een gewone veronderstelling of hypothese , nl.
dat de gegevens ten ontlaste niet bij het aan het hof van assisen voorgelegde
dossier zouden zijn gevoegd.
De middelen kunnen voor het overige
niet worden aangenomen, aangezien eiser, me dunkt, de door het O.M.
tegen hem regelmatig ingebrachte gegevens voor het hof van assisen
vrij heeft kunnen tegenspreken. Hij kan niet beweren dat hij geen recht
heeft gehad op een eerlijk proces of dat zijn recht van verdediging is
miskend . Het moet worden herhaald dat, om te beoordelen of een zaak eerlijk
is behandeld in de zin van art. 6.1 E.V.R.M., moet worden nagegaan of
de zaak in haar geheel op een eerlijke wijze is behandeld . Uw Hof beslist
daarenboven dat uit de omstandigheid alleen dat stukken, door een beoordeling
in feite van de bodemrechter en om de redenen die hij vermeldt, niet bij
het dossier zijn gevoegd , geen enkele miskenning van het recht van verdediging
of van de regels betreffende het eerlijk proces kan worden afgeleid .
Die stukken maken geen deel uit van het strafdossier en de rechters hebben
er geen beroep op gedaan noch om tot hun overtuiging te komen , noch om
de vordering tot voeging ervan te verwerpen . Dat geldt eveneens voor
stukken van een ander dossier van een onderzoek dat nog steeds gevoerd
wordt t.a.v. andere personen, ook al heeft dat onderzoek betrekking op
dezelfde feiten. In strafzaken moet een stuk alleen worden voorgelegd,
als het bestaan van het misdrijf of van een wettelijk bestanddeel ervan
afhangt . Er is evenmin sprake van miskenning van het beginsel van de
gelijkheid der wapens .
II. Over de cassatieberoepen van de
eiseressen 13. Het eerste middel is gericht tegen het tussenarrest van
18 april 2001 van het hof van assisen. M.i.
is het niet ontvankelijk
bij gebrek aan nauwkeurigheid, in zoverre het de schending aanvoert van
art.
149 Gw., aangezien het de vordering, het verweer of de
exceptie niet vermeldt waarop het bestreden arrest niet zou hebben geantwoord
. Het middel mist volgens mij feitelijke grondslag, in zoverre het de
schending aanvoert van de bewijskracht van stukken van het dossier, aangezien
het hof van assisen zijn beslissing, m.i., noch op de bewoordingen van
die documenten, noch op de daarin aangebrachte vermeldingen heeft gegrond
.
14. De andere middelen zijn gericht tegen het arrest van
veroordeling van 8 juni 2001 van het hof van assisen. Het tweede middel
voert m.n. de schending aan van art. 127, zevende lid, Sv. Het verwijt
het bestreden arrest zijn beslissing te hebben gegrond op stukken die
door de voorzitter van het hof van assisen aan de jury zijn overgelegd
en die betrekking hebben op opdrachten die door de onderzoeksrechter zijn
verricht nadat hij op 3 feb. 2000 voor de raadkamer verslag had uitgebracht
tijdens de eerste fase van de regeling van de rechtspleging. Het ging
om ambtelijke opdrachten die op 5 en 21 maart 2000 zijn verricht.
De raadkamer heeft op 28 maart 2001 een beschikking gewezen tot
gevangenneming en tot overzending van de stukken naar de procureur generaal,
met toepassing van art. 133 Sv.
Het middel kan m.i. niet worden
aangenomen. De eiseressen verwijzen in hun memorie naar uw arrest van
24 maart 1999 , volgens hetwelk 'de zaak krachtens het zevende lid
van het vernoemde artikel (127), de onderzoeksrechter van de zaak is ontlast
zodra hij verslag heeft uitgebracht voor de raadkamer'. Dat arrest
moet, me dunkt, in zijn context worden teruggeplaatst . Uw Hof heeft beslist
dat de verdachte, wanneer het, bij de regeling van de rechtspleging, een
beschikking tot verwijzing vernietigt en de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling
verwijst, geen verzoek meer aan de onderzoeksrechter kan richten met toepassing
van art. 127, vierde lid, Sv., met het oog op het verrichten van een bijkomende
onderzoekshandeling.
De zaak wordt immers aan de onderzoeksrechter
onttrokken, aangezien alleen de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd
is om, in voorkomend geval, aanvullende opdrachten te bevelen krachtens
art. 228 van hetzelfde wetboek . Zelfs als zij de onderzoeksrechter die
de zaak heeft onderzocht, aanwijst om die opdrachten te verrichten, handelt
deze krachtens die opdracht en niet krachtens zijn gewone bevoegdheid
.
In een arrest van 29 maart 1994 vermeldt uw Hof duidelijk
dat de onderzoeksrechter 'zijn rechtsmacht blijft behouden totdat
de rechtspleging geregeld is door de raadkamer of overeenkomstig de bepalingen
betreffende de regeling van rechtsgebied dan wel totdat een beslissing
van de raadkamer hem van het onderzoek ontlast' . In een arrest van
10 aug. 1998 heeft uw Hof nogmaals, maar deze keer impliciet, beslist
dat de zaak door de beschikking tot verwijzing aan de onderzoeksrechter
onttrokken wordt. Dat arrest beslist dat, als de raadkamer, bij de regeling
van de rechtspleging, overeenkomstig de vordering van het O.M.
alleen uitspraak doet t.a.v. een bepaalde verdachte, maar niet t.a.v.
een andere verdachte tegen wie het openbaar ministerie niet gevorderd
heeft, hoewel hij door de onderzoeksrechter in verdenking was gesteld,
de beschikking van de raadkamer niet tot gevolg heeft dat de zaak, wat
de andere verdachte betreft, aan de onderzoeksrechter wordt onttrokken.
Wat impliceert dat de zaak m.b.t. de eerste verdachte door de beschikking
wel degelijk aan de onderzoeksrechter is onttrokken.
Het dient
te worden opgemerkt dat de zaak niet alleen door de beschikking van de
raadkamer die de rechtspleging regelt, aan de onderzoeksrechter wordt
onttrokken , maar, meer algemeen, door elke beslissing van de raadkamer
waardoor zij haar rechtsmacht m.b.t. de strafvordering volledig uitoefent
. Die regel dekt de verschillende denkbare hypotheses, ook die van vernietiging
van de beschikking en van verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling
na de regeling van het rechtsgebied, en die van deze zaak : de beschikking
tot overzending van de stukken naar de procureur generaal op grond van
art. 133 Sv.
15. Het derde en het vierde middel missen m.i.
feitelijke grondslag, aangezien ze volgens mij steunen op een onjuiste
lezing van het proces verbaal van de terechtzitting van 27 april 2001
van het hof van assisen. Daarenboven faalt het derde middel ook naar recht,
in zoverre er geen algemeen beginsel van het recht op tegenspraak bestaat
dat verschilt van algemeen beginsel van het recht van verdediging .
16. Geen enkel middel dient m.i. ambtshalve te worden opgeworpen.
De cassatieberoepen zijn volgens mij doelloos geworden, in zoverre zij
gericht zijn tegen de bevelen tot onmiddellijke aanhouding, aangezien
de beslissingen tot veroordeling gezag van gewijsde hebben verkregen wegens
de verwerping van de daartegen gerichte cassatieberoepen .
Conclusie : verwerping.
Brussel, 14 december 2001.
Advocaat generaal J. Spreutels.
Fiches 5 - 6
De zaak wordt alleen aan de onderzoeksrechter onttrokken door de beslissing
waarmee de raadkamer haar rechtsmacht m.b.t. de strafvordering volledig
heeft uitgeoefend (1).
Thesaurus CAS:
ONDERZOEKSRECHTER
Vrije woorden:
ONDERZOEKSRECHTER - Aanhangigmaking - Afsluiting van het onderzoek - Voorwaarden
- Art. 133, Sv.
Wettelijke bepalingen:
Wetboek van Strafvordering - 133
Thesaurus CAS:
ONDERZOEK IN STRAFZAKEN
Vrije woorden:
ONDERZOEK (IN STRAFZAKEN) - Onderzoeksrechter - Aanhangigmaking - Afsluiting
van het onderzoek - Voorwaarden - Art. 133, Sv.
Wettelijke bepalingen:
Wetboek van Strafvordering - 133
Fiche 7
Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak dat
onderscheiden is van het algemeen beginsel van het recht van verdediging
(1).
Thesaurus CAS:
RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE)
Vrije woorden:
RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) - Begrip - Recht op tegenspraak - Recht van
verdediging - Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging
Nota:
Concl. adv.-gen. Spreutels, cass., 9 jan. 2002, AR P.01.1035.F, nr...