Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020109.30 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020109.30 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal on right of defense, ruling no separate right to cross-examine exists.

Numéro de cause ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020109.30
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation dismissed the appellant's cassation appeals regarding the right of defense and the fairness of the trial. The appellant argued that documents were missing from the file and that a separate investigation into related facts against other persons violated Article 6 of the ECHR. The court held that the right to cross-examine is not a distinct right from the right of defense and that the procedural history did not constitute a violation.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 6, ECHR; Article 133 of the Code of Criminal Procedure: The right to cross-examine is not a separate right from the right of defense, and a decision removing a case from an investigating judge does not automatically deprive a defendant of the right to contest evidence.

Mots-clés

Généré par l'IA
right of defense fair trial cross-examination investigating judge Article 6 ECHR Code of Criminal Procedure cassation appeal enquête internationale pour escroquerie

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 6 of the European Convention on Human Rights
recht heeft gehad op een eerlijk proces in de zin van art. 6.1 E.V.R.M.,
Article 133 of the Code of Criminal Procedure
met toepassing van art. 133 Sv.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

Fiches 1 - 2

Wanneer de beklaagde, voor het vonnisgerecht, de door het O.M. regelmatig

tegen hem ingebrachte gegevens vrij heeft kunnen tegenspreken, kan hij

niet beweren dat zijn recht van verdediging is miskend of dat hij geen

recht heeft gehad op een eerlijk proces in de zin van art. 6.1 E.V.R.M.,

alleen op grond dat stukken niet bij het dossier zouden zijn gevoegd of

dat er nog steeds een onderzoek gevoerd wordt naar dezelfde feiten of

naar daarmee samenhangende feiten, dat evenwel tegen andere personen is

gericht (1).

Thesaurus CAS:

RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN

Vrije woorden:

RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN - Eerlijk proces - Begrip - Dossier

- Voeging van stukken - Ander lopend onderzoek - Art. 6.1, Verdrag Rechten

van de Mens - Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging

Wettelijke bepalingen:

Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1

Wet - 13-05-1955

Thesaurus CAS:

RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1

Vrije woorden:

RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel

6.1 - Eerlijk proces - Begrip - Dossier - Voeging van stukken - Ander

lopend onderzoek - Art. 6.1, Verdrag Rechten van de Mens - Algemeen rechtsbeginsel

inzake het recht van verdediging

Wettelijke bepalingen:

Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1

Wet - 13-05-1955

Fiches 3 - 4

Wanneer het cassatieberoep tegen een veroordelend arrest verworpen wordt,

heeft het cassatieberoep tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding

geen bestaansreden meer (1).

Thesaurus CAS:

CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN

CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden

Vrije woorden:

CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep

- Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden - Gemis aan bestaansreden

- Veroordelend arrest - Verwerping van het cassatieberoep - Bevel tot

onmiddellijke aanhouding - Cassatieberoep - Ontvankelijkheid

Thesaurus CAS:

VOORLOPIGE HECHTENIS

Vrije woorden:

VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING - Cassatieberoep - Ontvankelijkheid

Nota:

RG P.01.1035.F Conclusie van adv.-gen. J. Spreutels :

I. Over

de door eiser ingestelde cassatieberoepen :

1. Het eerste

middel is gericht tegen het arrest van 27 juni 2000 van het Hof van Beroep

te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling.

Op 15 mei 1996

heeft uw Hof, met toepassing van art. 6, W. 22 maart 1996 betreffende

de erkenning van en de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor

voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Ruanda, bevolen

om het dossier 37/95 te onttrekken aan onderzoeksrechter Vandermeersch,

in zoverre dat dossier m.n. betrekking had op eiser. Op 13 aug. 1996 heeft

uw Hof, na te hebben vastgesteld dat het Internationaal Straftribunaal

voor Ruanda de door de procureur inzake eiser opgemaakte akte van beschuldiging

bij beslissing van 8 aug. 1996 niet had bevestigd, met toepassing van

art. 8 van de voormelde wet beslist om de zaak van die procureur te verwijzen

naar onderzoeksrechter Vandermeersch, opdat hij, m.b.t. eiser, zijn onderzoek

37/95 zou voortzetten dat was onderbroken door het voormelde arrest van

onttrekking van 15 mei 1996.

De beslissing van 8 aug. 1996

van het Internationaal Tribunaal was als volgt gesteld : 'Rejetons

l'acte d'accusation transmis par le Procureur, pour chacun des

chefs d'accusation, et déclarons qu'au vu des éléments soumis

par le Procureur, pour chacun des chefs d'accusation présentés

dans l'acte d'accusation, nous n'estimons pas qu'il

existe des présomptions suffisantes ; déclarons en outre que pour plusieurs

des actes cités dans les éléments justificatifs et sur lesquels est

fondé l'acte d'accusation, il n'a pas été suffisamment

prouvé que ces actes ont été commis au su et avec l'approbation

de l'accusé, ce qui lierait ainsi l'accusé aux dits actes'.

Bij de regeling van de rechtspleging had eiser voor de kamer

van inbeschuldigingstelling de onbevoegdheid van dat gerecht aangevoerd,

aangezien er geen nieuwe bezwaren voorhanden waren die een hindernis konden

vormen voor het gezag van gewijsde van de beslissing van het Internationaal

Tribunaal om de akte van inbeschuldigingstelling niet te bevestigen. Het

hof van beroep verwierp dat argument, op grond dat het niet aan de Belgische

gerechten stond 'die beslissing, die niet aan de Belgische wetsbepalingen

is onderworpen, gelijk te schakelen met een beschikking tot buitenvervolgingstelling

of met een seponering' en dat de onderzoeksgerechten bevoegd zijn

'zonder dat onderzocht moet worden of het onderzoek, dat sinds het

arrest van 13 aug. 1996 (van het Hof van Cassatie) is gevoerd, al dan

niet nieuwe bezwaren heeft opgeleverd'. Het bestreden arrest stelde

verder vast dat het onderzoek 'voldoende bezwaren (had) opgeleverd

om (eisers) inbeschuldigingstelling te verantwoorden'. Het verduidelijkte

dat die bezwaren het gevolg waren van 'talrijke beschuldigingen van

verscheidene getuigen' en 'het gebrek aan voldoende bezwaren

niet kan worden afgeleid (uit) de afwezigheid van vervolgingen voor het

Internationaal Tribunaal'. Voor het overige beperkte het hof van

beroep zich ertoe 'op onaantastbare wijze vast te stellen dat er

t.a.v. (eiser) voldoende bezwaren bestaan op grond waarvan (hij) naar

het bodemgerecht kon worden verwezen, en het niet opportuun acht(te) een

uitvoerig antwoord te geven op argumenten die bezwaren en bewijzen door

elkaar haalden en op voorbarige wijze leiden tot beslissingen van vrijspraak'.

2. Het eerste middel verwijt 'het bestreden arrest van

de kamer van inbeschuldigingstelling eiser naar het hof van assisen te

verwijzen, na te hebben beslist dat zij bevoegd was om dat te doen, ondanks

de beslissing van 8 augustus 1996 van het Internationaal Straftribunaal

voor Ruanda om de akte van beschuldiging te verwerpen en ondanks het feit

dat zij niet heeft vastgesteld dat er nieuwe bezwaren voorhanden waren'.

Het eerste onderdeel van het middel gaat uit van de veronderstelling

dat art. 8, W. 22 maart 1996, de beslissing van het Internationaal Tribunaal,

dat de akte van beschuldiging niet bevestigt, haar rechtsgevolgen in de

Belgische rechtsorde niet ontneemt. Volgens eiser zijn de regels van de

gemeenrechtelijke procedure, m.n. het beginsel van het 'betrekkelijk

gezag van gewijsde', van toepassing, eens de zaak door het arrest

van het Hof van Cassatie opnieuw bij het gerecht aanhangig is gemaakt.

Dat beginsel kan volgens hem zowel worden afgeleid uit art. 47 (E), Reglement

van het Internationaal Tribunaal, als uit de artt. 128, 246 en 247 Sv.

Door te concluderen tot de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling,

zonder acht te slaan op de beslissing tot verwerping van het Tribunaal,

en 'zonder het bestaan van nieuwe bezwaren te onderzoeken',

zou het bestreden arrest dat art. 8 schenden, wat een aantasting van het

gezag van gewijsde van het arrest van het Tribunaal en van het voormelde

'algemeen beginsel' zou impliceren. Daarenboven zou het bestreden

arrest de draagwijdte van het arrest van het Hof van Cassatie van 13 aug.

1996 miskennen, zoals die uit dat art. 8 zou voortvloeien. Dat zou leiden

tot een miskenning van het gezag van gewijsde van dat arrest en, voor

zover nodig, van de bewijskracht ervan. Als het bestreden arrest overigens

zo moet worden geïnterpreteerd dat het beslist heeft dat het Hof van

Cassatie het gezag van gewijsde van de beslissing tot verwerping van het

Internationaal Tribunaal onderzocht heeft en het bestaan van nieuwe bezwaren

tegen eiser beoordeeld heeft, miskent het, volgens het middel, de bewijskracht

van het arrest van het Hof van Cassatie, en, voor zover nodig, het gezag

van gewijsde ervan.

3. De grieven, die betrekking hebben op

de vermeende miskenning door de kamer van inbeschuldigingstelling van

het arrest van 13 aug. 1996 van uw Hof, missen m.i. feitelijke grondslag.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft immers uitsluitend beslist

'dat het noch aan de raadkamer noch aan de kamer van inbeschuldigingstelling

staat de wettigheid en de opportuniteit van het arrest van 13 augustus

1996 (van het Hof van Cassatie) te betwisten'. Het hof van beroep

heeft geenszins geoordeeld dat het Hof van Cassatie het gezag van gewijsde

van de beslissing van het Internationaal Tribunaal heeft onderzocht en

evenmin dat het het bestaan van nieuwe bezwaren heeft beoordeeld. Het

middel steunt, wat dat betreft, dus op een, m.i., onjuiste lezing van

het bestreden arrest. Daarenboven verwijt het middel het bestreden arrest

niet te hebben beslist dat het arrest van uw Hof een vermelding bevat

die er niet in voorkomt of geen vermelding bevat die er wel in voorkomt.

Het miskent de bewijskracht van die akte dus niet . Daarenboven faalt

het middel m.i. naar recht, wanneer het het bestreden arrest verwijt het

gezag van gewijsde van het arrest van uw Hof te miskennen, dat, ik herhaal,

zich ertoe beperkt de zaak naar de onderzoeksrechter te verwijzen met

het oog op de voortzetting van zijn onderzoek.

4. Het onderdeel

faalt volgens mij eveneens naar recht, in zoverre het de miskenning aanvoert

van een algemeen rechtsbeginsel betreffende het betrekkelijk gezag van

gewijsde in strafzaken, aangezien een dergelijk beginsel m.i. niet bestaat.

Volgens eiser zou dat beginsel zijn vastgelegd in de artt. 246 en 247

Sv., alsook in art. 47 (E), Reglement van het Internationaal Tribunaal.

Het middel is weliswaar eveneens gegrond op de miskenning van het algemeen

rechtsbeginsel van het betrekkelijk gezag van het gewijsde in strafzaken.

In werkelijkheid is dat beginsel m.i. noch van toepassing

op de bij de artt. 246 en 247 Sv. bedoelde situatie, noch op de bij art.

47 (E) van het voormelde reglement bedoelde situatie.

Ik herhaal

dat krachtens de artt. 246, 247 en 248 Sv., een onderzoek dat afgesloten

wordt met een beslissing tot buitenvervolgingstelling, alleen kan worden

heropend en de verdachte die buiten vervolging is gesteld alleen voor

hetzelfde feit naar het vonnisgerecht kan worden verwezen, als er nieuwe

bezwaren voorhanden zijn en dit uitsluitend wanneer het O.M. zulks vordert.

Die bezwaren bestaan uit zaken als getuigenverklaringen, stukken en processen

verbaal die niet aan het onderzoeksgerecht zijn voorgelegd, maar die ertoe

strekken bewijzen te versterken die door het onderzoeksgerecht te zwak

waren bevonden of aan de feiten nieuwe ontwikkelingen te geven op grond

waarvan de waarheid aan het licht kan worden gebracht .

Een

beslissing van buitenvervolgingstelling maakt slechts een voorlopig einde

aan de strafvervolgingen . In de regel hebben de beslissingen van de onderzoeksgerechten

alleen gezag van gewijsde in de gevallen waarin de wet hen de bevoegdheid

toekent om, net als de vonnisgerechten, over de grond van de zaak te beslissen

. Dat geldt dus niet voor de beschikking of het arrest van buitenvervolgingstelling

die door een onderzoeksgerecht gewezen worden wegens het ontbreken van

voldoende bezwaren tegen de verdachte .

Ik herhaal dat het

dus om een voorlopige beslissing gaat waarvan het gezag niet zo ver reikt

als dat van beslissingen tot vrijspraak en omgekeerd kan worden in de

hierboven vermelde omstandigheden . Hieruit vloeit geen enkel rechtsbeginsel

voort.

Hieraan moet worden toegevoegd dat het tevens uitgesloten

is dat het bestreden arrest de voormelde artt.

246 en 247

schendt. Die wetsbepalingen hebben alleen betrekking op de beslissingen

van de Belgische gerechten en geenszins op die van het Internationaal

Tribunaal. Het middel voert overigens de schending van die bepalingen

alleen aan in zoverre zij 'de uitdrukking vormen van een algemeen

beginsel van het (relatieve of precaire) gezag van gewijsde'.

Hoe staat het met het gezag van de beslissing van het Internationaal

Tribunaal m.b.t. de verwerping van de akte van beschuldiging? De verwerping

van de akte van beschuldiging is voorzien in art. 18.1, Statuut van het

Internationaal Tribunaal voor Ruanda : 'de rechter van de Kamer van

eerste aanleg bij wie de akte van beschuldiging aanhangig is gemaakt,

onderzoekt deze akte. Indien hij van mening is dat de Procureur heeft

aangetoond dat op grond van de vermoedens vervolging moet worden ingesteld,

bevestigt hij de akte van beschuldiging. Anders verwerpt hij ze'.

Art. 47 (D), Rechtsplegings- en bewijsvoeringsreglement bepaalt : 'de

rechter kan elk punt van beschuldiging bevestigen of verwerpen' en

art. 47 (E) van datzelfde Reglement bepaalt : 'als een punt van beschuldiging

verworpen is, is het de Procureur niet verboden om een nieuwe akte van

beschuldiging op te stellen op basis van de feiten van de verworpen akte

van beschuldiging, voor zover aanvullende bewijzen tot staving worden

aangebracht' .

M.i. dient dezelfde denkwijze gevolgd

te worden m.b.t. die beslissing. Alleen de beslissingen van het Tribunaal

die uitspraak doen over de grond van de voor dat tribunaal gebrachte rechtsvordering

hebben gezag van gewijsde. Dat volgt uit art. 9.1 van het Statuut van

het Internationaal Tribunaal voor Ruanda, gevoegd bij de Resolutie 955

(1994), op 8 nov. 1994 goedgekeurd door de Veiligheidsraad van de Verenigde

naties, dat bepaalt : 'niemand mag voor een nationaal rechtscollege

worden gedaagd voor feiten die ernstige schendingen van het internationale

humanitaire recht vormen in de zin van dit statuut indien hij voor diezelfde

feiten reeds door het Internationaal Tribunaal voor Ruanda werd berecht'.

Uit het voormelde art. 47 (E) blijkt duidelijk dat de beslissingen

tot verwerping van de akte van inbeschuldigingstelling eveneens voorlopig

zijn en geen gezag van gewijsde hebben t.a.v. het Internationaal Tribunaal,

waarbij dezelfde feiten aanhangig kunnen worden gemaakt onder de daarin

bepaalde voorwaarden.

5. Het eerste middel faalt m.i. evenzeer

naar recht, in zoverre het de schending aanvoert van art. 8, W. 22 maart

1996. Wat dat betreft moet allereerst de draagwijdte van die bepaling

worden verduidelijkt, luidens hetwelk : 'Ingeval het Tribunaal, nadat

de zaak aan het Belgisch gerecht is onttrokken, mededeelt dat de Procureur

besloten heeft geen akte van beschuldiging op te stellen, dat het Tribunaal

deze akte niet heeft bevestigd of dat het Tribunaal zich onbevoegd heeft

verklaard, regelt het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal

en na de betrokkene te hebben gehoord, de procedure en beveelt, in voorkomend

geval, de verwijzing naar het bevoegde hof, de bevoegde rechtbank of het

bevoegde onderzoeksgerecht'.

De memorie van toelichting

van de ontwerp van wet verantwoordt die bepaling op grond dat het Tribunaal

kan beslissen '(...) om de procedure niet verder te zetten, hetzij

omdat de verzamelde bewijselementen onvoldoende zijn, hetzij omdat de

zaak niet ernstig genoeg blijkt te zijn, rekening houdend met de beperkte

werkingsmiddelen waarover de Internationale Tribunalen beschikken en met

de keuzen die zich daardoor opdringen. In dit geval, is het noodzakelijk

toe te laten dat de interne vervolgingen hernomen worden'. De tekst

van het ontwerp, dat door de Kamer is goedgekeurd, vermeldde alleen dat

'(...) het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal

en na de betrokkene te hebben gehoord, beslist tot onttrekking van de

zaak aan het Belgisch gerecht waarbij hetzelfde feit aanhangig is gemaakt'.

Over die kwestie is een vrij uitgebreid debat gevoerd in de

Commissie voor de Justitie van de Senaat .

Een senator heeft

de volgende mening geformuleerd : 'de zaak opnieuw verwijzen naar

de Belgische gerechten is alleen aanvaardbaar in gevallen waarin het Internationaal

Tribunaal een beslissing zou nemen die gelijkstaat met het seponeren van

de zaak. Een buitenvervolgingstelling is echter een beslissing die vaststelt

dat er geen bezwarende feiten zijn. In dat geval kan er geen sprake van

zijn dezelfde feiten opnieuw aanhangig te maken bij de Belgische gerechten'

. Die hypothese stemt volgens hem overeen met die van art. 7 (thans 8)

van het ontwerp van wet .Hij voegt eraan dat art. 47 (E) van het Rechtsplegingsreglement

'kennelijk doelt op het geval van de buitenvervolgingstelling, wat

uiteraard nieuwe vervolgingen niet uitsluit wanneer er nieuwe gegevens

aan het licht komen. Gesteld dat het Internationaal Tribunaal het verantwoord

vindt tot de buitenvervolgingstelling te beslissen, hoe kan een Belgisch

rechtscollege dan zijn eisen hoger stellen?' .

De verslaggever

vat het debat als volgt samen : 'dat de procedure voor het Internationaal

Tribunaal ten einde loopt : 1° als de procureur geen 'acte d'accusation'

opstelt ; 2° als de 'acte d'accusation' niet wordt bevestigd

; 3° als het Internationaal Tribunaal zich onbevoegd verklaart'

. De Commissie stelt bijgevolg de volgende tekst voor : 'het Hof

van Cassatie regelt de procedure en beveelt de verwijzing zo dat nodig

blijkt...' .

Vervolgens wordt een amendement neergelegd,

dat enkele vormverbeteringen bevat. Die tekst, die door de Commissie goedgekeurd

wordt, zal art. 8 van de wet worden. Een senator 'die zich heeft

onthouden, geeft als verantwoording dat er maar één reden is waarom

de zaak terug verwezen kan worden naar het bevoegde Belgische gerecht,

nl. de onbevoegdheid van het Internationaal Tribunaal. Voor de andere

in het artikel bedoelde gevallen mag ervan uitgegaan worden dat er onvoldoende

bezwarende feiten zijn. De rapporteur merkt op dat de tekst bepaalt dat

de zaak 'in voorkomend geval' verwezen wordt. Bovendien kan

de onbevoegdheid van het Tribunaal eveneens ten grondslag liggen aan het

besluit van de procureur om geen akte van beschuldiging op te stellen

of aan het besluit van het Tribunaal om deze akte niet te bevestigen'

. Dezelfde kritiek wordt geuit door de heer Desmedt in de openbare terechtzitting

van de Senaat .

Die mening wordt echter door niemand gedeeld,

zodat uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat de wetgever

erkend heeft dat de Belgische gerechten opnieuw van de zaak kunnen kennisnemen

in geval van verwerping van de akte van inbeschuldigingstelling door het

Internationaal Tribunaal, zelfs bij gebrek aan nieuwe bezwaren.

6. Dat is niet uitsluitend het geval voor het Hof van Cassatie ,

maar tevens voor de gerechten waarbij de zaak opnieuw aanhangig wordt

gemaakt t.g.v. het arrest van het Hof van Cassatie. Drie gevallen kunnen

zich voordoen. In het eerste geval wordt de zaak, zoals te dezen, vóór

het afsluiten van het onderzoek aan de onderzoeksrechter onttrokken ten

voordele van het Internationaal Tribunaal. In het tweede geval werd de

zaak aan het onderzoeksgerecht onttrokken voordat het uitspraak heeft

kunnen doen over de vorderingen van het O.M. In het derde geval wordt

de zaak aan het vonnisgerecht onttrokken voordat het uitspraak heeft kunnen

doen over de grond van de zaak. Moet er voor elk geval een andere denkwijze

gevolgd worden? Ik denk het niet. In de drie gevallen heeft het Internationaal

Tribunaal de door zijn procureur opgemaakte akte van inbeschuldigingstelling

verworpen. Het Tribunaal kan dat hebben gedaan omdat er, zoals te dezen,

onvoldoende bewijzen tegen de beschuldigde voorhanden waren. In de drie

gevallen kan een nieuwe akte van beschuldiging aanhangig worden gemaakt

bij het Tribunaal, die steunt op bijkomende bewijzen. Op dat ogenblik

zou de zaak m.i. opnieuw onttrokken moeten worden aan het Belgisch gerecht.

Als aangenomen wordt dat het gezag van de beslissing tot verwerping

van de akte van beschuldiging door het Tribunaal, wegens de voorrang die

het Tribunaal op de nationale gerechten geniet, impliceert dat de Belgische

gerechten alleen opnieuw van de zaak kunnen kennisnemen als er nieuwe

bewijzen zijn, dan geldt dit in de drie hierboven beschouwde gevallen.

Dat zou zelfs betekenen dat het vonnisgerecht, bij gebrek aan dergelijke

bewijzen, de beklaagde of de beschuldigde zou moeten vrijspreken zonder

gebruik te kunnen maken van de bewijzen die reeds zijn verkregen in de

rechtspleging die vóór de beslissing van het Internationaal Tribunaal

is gevoerd. Zoals professor Eric David beklemtoont, 'la décision

du TPI de renoncer aux poursuites, quelle qu'en soit la cause, laisse

entière la liberté d'appréciation des autorités judiciaires belges

de poursuivre ou non. La décision du Procureur ou d'un juge du TPI

de ne pas poursuivre l'affaire n'est pas une décision de fond

sur d'éventuelles violations du droit humanitaire, hypothèse où

le statut lui-même prévoit l'application de non bis in idem dans

tout Etat qui voudrait poursuivre pour les mêmes faits (Statut, art.

10/9, § 1er)' . De beslissing tot verwerping van de akte van beschuldiging

staat niet gelijk met vrijspraak .

Net als de beslissing van

de Procureur van het Internationaal Tribunaal niet beantwoordt aan dezelfde

beoordelingscriteria als die van het interne recht , kan het Tribunaal

zelf andere regels toepassen dan die welke de nationale gerechten in acht

dienen te nemen, m.n. wat het bewijs van de misdrijven betreft . Meer

bepaald: 'la prédominance du caractère anglo-saxon dans les règles

de procédure et de preuve incite les instances du Tribunal international

à écarter les éléments de preuve recueillis par les juridictions nationales

et plus spécialement les auditions d'inculpés et les témoignages

obtenus dans le cadre des procédures nationales soumises à des règles

de procédure différentes. Ainsi, lors d'un dessaisissement d'un

juge national, le Bureau du Procureur réitère les devoirs d'enquête

déjà réalisés afin de se trouver en conformité avec les règles de

ce Tribunal' . Dat sluit niet uit dat, zoals dat blijkbaar te dezen

het geval is geweest , bepaalde gegevens uit het nationaal onderzoek daadwerkelijk

aan het Internationaal Tribunaal zijn voorgelegd.

Beide niveaus

zijn dus wel degelijk van elkaar gescheiden. Het Internationaal Tribunaal

heeft uitsluitend voorrang op de nationale gerechten in de mate die is

aangegeven bij de artt. 8.2 en 9 van zijn Statuut, alsook van de artt.

8 tot 13 van zijn Reglement inzake Procedure.

Er bestaat een

ander, groot verschil tussen beide rechtsplegingen. Na een beslissing

tot verwerping van de akte van inbeschuldigingstelling, kan de Procureur

van het Internationaal Tribunaal zijn onderzoek voortzetten teneinde mogelijke

nieuwe aanvullende bewijzen te verzamelen die als grondslag kunnen dienen

voor een nieuwe akte van beschuldiging . Volgens het Belgisch recht moeten

er eerst nieuwe bezwaren in de zin van art. 246 Sv. bestaan voordat het

onderzoek kan worden hervat .

7. Het eerste middel faalt ten

slotte ook naar recht, in zoverre het de schending aanvoert van de door

dat middel vermelde artikelen van het Statuut van het Internationaal Tribunaal

alsook van art. 47 (E), Rechtsplegingsreglement van dat Tribunaal, aangezien,

ik herhaal het, die bepalingen alleen betrekking hebben op de rechtspleging

voor dat Tribunaal en geenszins op die voor de Belgische gerechten.

8. Het tweede onderdeel van het middel gaat uit van de subsidiair

vermelde veronderstelling dat art.

8, W. 22 maart 1996, de

voormelde bepalingen schendt en die beginselen miskent, en dat het arrest

dat deze bepalingen en beginselen toepast, het algemeen rechtsbeginsel

miskent volgens hetwelk de internationale rechtsnorm met rechtstreekse

werking in het interne recht voorrang heeft op de interne rechtsnorm,

het bij analogie toegepaste art. 159 Gw. alsook de in dat onderdeel bedoelde

bepalingen van internationaal recht schendt.

Het onderdeel

faalt m.i. naar recht. Zoals ik immers heb trachten te bewijzen in antwoord

op het eerste onderdeel van het middel, zijn de regels die van toepassing

zijn op de rechtspleging voor het Internationaal Tribunaal en op zijn

interne werking, en die door dat gerecht zijn uitgewerkt, niet van toepassing

op de rechtspleging voor de Belgische rechtscolleges. Het voormelde art.

8 schendt de in het eerste onderdeel bedoelde rechtsnormen niet en het

bestreden arrest, dat dit art. 8 toepast door daaraan die draagwijdte

te geven, schendt die normen dus evenmin.

9. De andere middelen

zijn gericht tegen het tussenarrest van 18 april 2001 van het Hof van

Assisen van het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad. Dat arrest

verwerpt de excepties van niet ontvankelijkheid van de vervolgingen, die

subsidair ertoe strekten verschillende stukken uit het dossier te weren

en het onderzoek van de zaak op te schorten totdat de rechtspleging in

een andere zaak ten laste van onbekenden was geregeld.

Het

tweede middel kan m.i. niet worden aangenomen. Het voert de schending

aan van de artt. 128, 235bis, 246 en 247 Sv. Het verwijt het bestreden

arrest de door eiser in conclusie geformuleerde vordering, die ertoe strekte

de vervolgingen die tegen hem waren ingesteld sinds de beslissing van

8 aug. 1996 van het Internationaal Tribunaal voor Ruanda om de akte van

beschuldiging van zijn procureur te verwerpen, niet ontvankelijk en, op

zijn minst, niet gegrond te verklaren.

Eiser voerde in substantie

aan dat de beslissing tot verwerping door het Internationaal Tribunaal

van de akte van beschuldiging soortgelijke vervolgingen op nationaal vlak

uitsloot, omdat die internationale beslissing, volgens hem, gezag van

gewijsde had en omdat het O.M. geen nieuwe feiten of bezwaren aanvoerde.

Het hof van assisen heeft die vordering verworpen, op grond

dat 'dat argument reeds door (eisers) verdediging is aangevoerd voor

de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel,

die daarop antwoordde in zijn arrest van 27 juni 2000, waarbij dat onderzoeksgerecht

de beschuldigde, samen met anderen, naar het hof van assisen heeft verwezen

(...) ; dat die beschuldigde tegen dat arrest cassatieberoep heeft ingesteld

maar vervolgens ervan afstand heeft gedaan'. Na de bewoordingen van

art. 235bis Sv. te hebben herhaald, stelt het bestreden arrest vast 'dat

de door (eiser) voor het hof van assisen aangevoerde grond van niet ontvankelijkheid

reeds door de kamer van inbeschuldigingstelling is onderzocht en niet

na het debat voor dat onderzoeksgerecht is ontstaan ; (...) dat, bijgevolg,

de vordering (...) die ertoe strekt de huidige, tegen hem ingestelde vervolgingen

niet ontvankelijk te verklaren, niet kan worden aangenomen door het hof

van assisen'. Het bestreden arrest voegt daaraan toe dat er wel degelijk

nieuwe bezwaren zijn verkregen na het arrest van 8 aug. 1996 dat de zaak

opnieuw bij het hof van assisen aanhangig heeft gemaakt, en geeft een

opsomming van die bezwaren. De vordering is dus op zijn minst niet gegrond.

Die laatste overweging is m.i. overtollig. Het middel is volgens

mij niet ontvankelijk, in zoverre het daartegen gericht is, de schending

van de artt. 128, 246 en 247 Sv. aanvoert en het hof van assisen verwijt

uitspraak te hebben gedaan 'over de gegrondheid van een vraag die

alleen tot de bevoegdheid van de onderzoeksgerechten behoort'.

10. Voor het overige voert het middel aan dat het bestreden arrest

art. 235bis van dat wetboek schendt, aangezien uit dat art. zou volgen

'dat de aan de kamer van inbeschuldigingstelling voorgelegde middelen

van niet ontvankelijkheid van de strafvordering niet opnieuw kunnen worden

voorgelegd aan de bodemrechter, naar wie de zaak is verwezen, tenzij het

middel de bewijswaardering of de openbare orde raakt ; dat een middel

van niet ontvankelijkheid van de vervolgingen, zoals eiser te dezen aanvoert,

dat gegrond is op het betrekkelijk gezag van gewijsde van een beslissing

tot buitenvervolgingstelling en op het gebrek aan nieuwe bezwaren sinds

die beslissingen, tot die excepties behoort ; dat elke vordering die ertoe

strekt de strafvordering niet ontvankelijk te doen verklaren op grond

van het gezag van gewijsde, bijgevolg kan worden voorgelegd aan het bodemgerecht,

te dezen het hof van assisen, ook al heeft de kamer van inbeschuldigingstelling

het reeds verworpen'. Het middel faalt m.i. eveneens naar recht,

aangezien het hof van assisen zijn beslissing volgens mij naar recht heeft

verantwoord.

Art. 235, dat in het Sv. is ingevoegd bij de

W. 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium

van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, voert een zogenaamde

zuivering van nietigheden in . Paragraaf 5 legt de volgende regel vast

: 'de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in

artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die

door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet

meer opgeworpen worden voor de feitenrechter', alsook een exceptie

op die regel : 'behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering

of die de openbare orde aanbelangen'. Diezelfde paragraaf voegt daaraan

een tweede regel en een tweede exceptie toe : 'hetzelfde geldt voor

de gronden van niet ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering,

behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling'.

Wat is de wisselwerking tussen die twee regels en, meer in het bijzonder,

wat is de betekenis van de woorden 'hetzelfde geldt'? Wat dat

betreft bestaan er twee tegengestelde opvattingen. Volgens de eerste,

ruime opvatting, die door het middel en door een gedeelte van de rechtsleer

wordt aangenomen , is het voorbehoud betreffende de openbare orde eveneens

van toepassing op de gronden van niet ontvankelijkheid of verval van de

strafvordering.

Volgens de tweede verwijzen de woorden 'hetzelfde

geldt' uitsluitend naar de eerste, in de paragraaf vermelde regel

en niet naar de uitzondering daarop . Dat is wat het bestreden arrest

beslist.

De analyse van de parlementaire voorbereiding van

de wet bevestigt m.i. die laatste oplossing. De tweede regel is t.g.v.

een opmerking van de Raad van State ingevoegd, nog vóór de uitzondering

op de eerste regel is vermeld tijdens het onderzoek van het ontwerp door

de Commissie voor de Justitie van de Senaat.

Op grond van

het verslag van die commissie kan de bedoeling van de wetgever wat dat

betreft ongetwijfeld beter worden verduidelijkt . De discussie betrof

immers eerst de vraag van de verjaring van de strafvordering.

Volgens een lid was de onmogelijkheid om nog langer 'de verjaring

te pleiten' voor de bodemrechter, d.w.z.

het verval van

de strafvordering in geval van beslechting van de vraag door de raadkamer

of door de kamer van inbeschuldigingstelling, strijdig met het E.V.R.M.

Wat het lid zorgen baarde, was de niet openbaarheid van het debat voor

de onderzoeksgerechten . Hij gaf ook het voorbeeld van de onregelmatige

telefoontap, d.w.z. van een nietigheidsgrond. In zijn antwoord kon professor

Franchimont zich bij die tussenkomst niet aansluiten. Hij wees erop dat

'l'article 135 prévoit qu'il en va de même pour les causes

d'irrecevabilité ou d'extinction de l'action publique

visées à l'alinéa 3, sauf lorsqu'elles sont acquises postérieurement

au débat devant la chambre des mises en accusation. L'exception

quant à la prescription est d'ordre public'.

Senator

Vandenberghe meende toen dat verduidelijkt diende te worden dat die regel

niet geldt voor nietigheden van openbare orde. Hij legde bijgevolg een

amendement neer , dat als volgt was gesteld : 'de eerste zin van

het vijfde lid van het voorgestelde artikel 135 aanvullen met de woorden

'of die de openbare orde aanbelangen''. De volgende verantwoording

wordt gegeven : 'de ontworpen regeling kan vanzelfsprekend enkel

gelden voor middelen die niet de openbare orde betreffen'. Vervolgens,

'un membre estime qu'il est question ici d'incidents de

procédure et que la purge ne peut avoir qu'une signification limitée

et ne se défend que lorsque les incidents de procédure en question sont

des incidents mineurs. Il ne lui semble pas possible de faire fi de la

règle de la publicité en ce qui concerne les incidents majeurs, dont

la conclusion est également obligatoire en ce qui concerne le fond de

l'affaire'. Professor Franchimont was het toen eens met het

amendement nr. 112 van de heer Vandenberghe. Het is die tekst die, opgenomen

in een amendement van de regering en met instemming van de heer Vandenberghe,

aangenomen zou worden.

Men stelt dus vast dat het debat weliswaar

eerst betrekking had op een grond van verval van de strafvordering, maar

dat het verval, de verantwoording van amendement nr. 112 en de daaropvolgende

discussie alleen nog betrekking hadden op nietigheidsgronden. Men had

zonder twijfel beseft dat de vraag van de zuivering niet kon worden gesteld

m.b.t. de verjaring die, door de aard ervan, in alle standen van de rechtspleging

kan worden aangevoerd . Daarenboven is er geen enkele grond van niet ontvankelijkheid

of van verval van de strafvordering die de openbare orde niet raakt. Het

zou bijgevolg om een loutere tautologie gaan. Ten slotte gaat de door

het middel voorgestelde uitlegging in tegen de doelstelling van de wetgever,

zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van art. 235bis, § 5, die eerst

vermelden dat de zuivering van de nietigheden de regel is. Zoniet zou

die regeling geen enkel werkelijk nut hebben . Zoals raadsheer de Codt

geschreven heeft, 'si l'on part de l'idée que la loi a

un sens, il faut admettre qu'elle ne peut, dans le même temps, poser

une règle et la vider de toute substance par une exception dont le contenu

serait aussi englobant que celui du principe auquel elle déroge'

.

Ik meen dat ik, tot staving van die oplossing, tevens uw

arrest van 14 april 1999 kan aanvoeren . In dat geval had de kamer inbeschuldigingstelling,

waarbij een hoger beroep aanhangig was gemaakt dat beperkt was tot de

voorlopige hechtenis, ambtshalve uitspraak gedaan over een grond van niet

ontvankelijkheid van de strafvordering . Zij had vastgesteld dat de als

moord gekwalificeerde feiten definitief waren berecht onder de kwalificatie

onopzettelijke doding, wat impliceerde dat het verboden was ze opnieuw

te berechten, zelfs onder een nieuwe kwalificatie. Uw Hof heeft het cassatieberoep

verworpen dat de procureur generaal bij het hof van beroep had ingesteld

tegen een later arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat de

vordering had verworpen waarbij die procureur generaal voor recht wilde

doen zeggen dat de reeds door de correctionele rechtbank berechte feiten

verschilden van die waarop de nieuwe vervolgingen gegrond waren en dat

de thans ingestelde strafvordering dus ontvankelijk was. Uw Hof heeft

beslist dat uit art.

235bis, § 5, Sv. volgt dat het arrest

van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat uitspraak had gedaan over

die grond van niet ontvankelijkheid van de strafvordering, eraan in de

weg staat dat hetzelfde middel opnieuw voor de bodemrechter wordt aangevoerd

en dat dergelijk arrest a fortiori tevens bindend is voor het rechtscollege

dat het arrest gewezen heeft. Uw Hof heeft, m.i., aldus impliciet doch

zeker beslist dat de in art. 235bis bedoelde exceptie van de middelen

die de openbare orde raken, geen betrekking heeft op de gronden van niet

ontvankelijkheid of verval van de strafvordering.

11. Het

derde middel voert de schending van art. 6.1 E.V.R.M. aan, alsook de miskenning

van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en

van het recht van verdediging. Het verwijt het hof van assisen de vordering

te hebben verworpen die eiser in conclusie had aangevoerd teneinde de

stukken van het Internationaal Tribunaal uit het dossier te weren, die

door de onderzoeksrechter waren verkregen en tijdens het debat van het

hof van assisen bij het dossier waren gevoegd. In antwoord op eisers argumenten

had het bestreden arrest beslist dat 'het beginsel van het recht

op tegenspraak, dat niet onderscheiden is van de uitoefening van het recht

van verdediging, niet wordt aangetast, als (eiser), althans vóór het

openen van het debat voor het hof van assisen, van het volledige dossier

inzage heeft kunnen nemen' en 'dat hij zich tijdens het debat

daarover (heeft) kunnen uitspreken', alsook 'elk gegeven ten

ontlaste heeft kunnen aanvoeren voor' het hof van assisen, 'hoewel

hij, volgens eigen zeggen, geen inzage heeft gehad in de getuigenissen

die eventueel door het Internationaal Tribunaal voor Ruanda zijn verkregen

en die dat Tribunaal niet aan de onderzoeksrechter heeft meegedeeld'.

Volgens het middel schendt het bestreden arrest de voormelde bepaling

en beginselen, 'aangezien het van het Internationaal Tribunaal afkomstige

documenten ten laste bij het dossier voegt, op grond dat eiser, in antwoord

op die documenten, elk gegeven ten ontlaste kon aanvoeren voor het hof

van assisen, enerzijds, maar tegelijkertijd ook beslist dat het niet terzake

doet dat eiser mogelijk geen inzage heeft gekregen in het volledige dossier

van het Internationaal Tribunaal'.

Het vierde middel

voert de schending aan van de artt. 6.1 E.V.R.M. en 14.3.c I.V.B.P.R.,

alsook de miskenning van de algemene beginselen van het recht op een eerlijk

proces en van het recht van verdediging. Het verwijt het bestreden arrest

de door eiser in conclusie subsidiair geformuleerde vordering te hebben

verworpen, die ertoe strekte de uitspraak op te schorten totdat het onderzoek

van onderzoeksrechter Vandermeersch tegen onbekende(n), betreffende feiten

die te Ruanda zijn gepleegd tussen 5 april en 4 juli 1994 is afgesloten,

aangezien dat onderzoek gegevens, m.n. gegevens ten ontlaste, aan het

licht kan brengen die verschillen van die welke door het hof van assisen

reeds zijn verkregen en in het debat voor dat hof betreffende eisers zaak

zijn gebracht. Het hof van assisen verwerpt die vordering, op grond dat

'als gewacht wordt tot het onderzoek inzake onbekende(n), dat thans

door onderzoeksrechter Vandermeersch gevoerd wordt, afgesloten wordt alvorens

de naar dit hof van assisen verwezen beschuldigden of een van hen te berechten,

hun berechting een ernstige vertraging zou kunnen oplopen' en dat

'een dergelijke vertraging strijdig zou zijn met een goede rechtsbedeling

in de zin van art. 6.1 van het (voormelde) Verdrag, volgens hetwelk eenieder

recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn,

en in de zin van art. 14.3.c I.V.B.P.R., volgens hetwelk eenieder die

wegens een strafbaar feit vervolgd wordt, recht heeft zonder onredelijke

vertraging te worden berecht'. Volgens het middel 'kon het bestreden

arrest niet zonder de voormelde beginselen te miskennen, enerzijds, de

documenten in het debat van het proces tegen eiser brengen die door de

onderzoeksrechter zijn verkregen in het kader van zijn nog niet afgesloten

onderzoek tegen onbekende(n) wegens de feiten die te Ruanda zijn gepleegd

tussen 5 april en 4 juli 1994 en, anderzijds, de subsidiaire vordering

verwerpen die eiser had ingesteld teneinde de uitspraak op te schorten

totdat het voormelde onderzoek was beëindigd' op grond van de hierboven

weergegeven redenen.

12. Aangezien beide middelen met elkaar

verbonden zijn, moeten zij, me dunkt, gezamenlijk beantwoord worden.

Vooreerst is het vierde middel m.i. niet ontvankelijk, in zoverre

het gericht is tegen een volgens mij overtollige overweging van het bestreden

arrest, waarin het risico van de overschrijding van de redelijke termijn

wordt aangevoerd. De middelen zijn m.i. eveneens niet ontvankelijk, in

zoverre zij steunen op een gewone veronderstelling of hypothese , nl.

dat de gegevens ten ontlaste niet bij het aan het hof van assisen voorgelegde

dossier zouden zijn gevoegd.

De middelen kunnen voor het overige

niet worden aangenomen, aangezien eiser, me dunkt, de door het O.M.

tegen hem regelmatig ingebrachte gegevens voor het hof van assisen

vrij heeft kunnen tegenspreken. Hij kan niet beweren dat hij geen recht

heeft gehad op een eerlijk proces of dat zijn recht van verdediging is

miskend . Het moet worden herhaald dat, om te beoordelen of een zaak eerlijk

is behandeld in de zin van art. 6.1 E.V.R.M., moet worden nagegaan of

de zaak in haar geheel op een eerlijke wijze is behandeld . Uw Hof beslist

daarenboven dat uit de omstandigheid alleen dat stukken, door een beoordeling

in feite van de bodemrechter en om de redenen die hij vermeldt, niet bij

het dossier zijn gevoegd , geen enkele miskenning van het recht van verdediging

of van de regels betreffende het eerlijk proces kan worden afgeleid .

Die stukken maken geen deel uit van het strafdossier en de rechters hebben

er geen beroep op gedaan noch om tot hun overtuiging te komen , noch om

de vordering tot voeging ervan te verwerpen . Dat geldt eveneens voor

stukken van een ander dossier van een onderzoek dat nog steeds gevoerd

wordt t.a.v. andere personen, ook al heeft dat onderzoek betrekking op

dezelfde feiten. In strafzaken moet een stuk alleen worden voorgelegd,

als het bestaan van het misdrijf of van een wettelijk bestanddeel ervan

afhangt . Er is evenmin sprake van miskenning van het beginsel van de

gelijkheid der wapens .

II. Over de cassatieberoepen van de

eiseressen 13. Het eerste middel is gericht tegen het tussenarrest van

18 april 2001 van het hof van assisen. M.i.

is het niet ontvankelijk

bij gebrek aan nauwkeurigheid, in zoverre het de schending aanvoert van

art.

149 Gw., aangezien het de vordering, het verweer of de

exceptie niet vermeldt waarop het bestreden arrest niet zou hebben geantwoord

. Het middel mist volgens mij feitelijke grondslag, in zoverre het de

schending aanvoert van de bewijskracht van stukken van het dossier, aangezien

het hof van assisen zijn beslissing, m.i., noch op de bewoordingen van

die documenten, noch op de daarin aangebrachte vermeldingen heeft gegrond

.

14. De andere middelen zijn gericht tegen het arrest van

veroordeling van 8 juni 2001 van het hof van assisen. Het tweede middel

voert m.n. de schending aan van art. 127, zevende lid, Sv. Het verwijt

het bestreden arrest zijn beslissing te hebben gegrond op stukken die

door de voorzitter van het hof van assisen aan de jury zijn overgelegd

en die betrekking hebben op opdrachten die door de onderzoeksrechter zijn

verricht nadat hij op 3 feb. 2000 voor de raadkamer verslag had uitgebracht

tijdens de eerste fase van de regeling van de rechtspleging. Het ging

om ambtelijke opdrachten die op 5 en 21 maart 2000 zijn verricht.

De raadkamer heeft op 28 maart 2001 een beschikking gewezen tot

gevangenneming en tot overzending van de stukken naar de procureur generaal,

met toepassing van art. 133 Sv.

Het middel kan m.i. niet worden

aangenomen. De eiseressen verwijzen in hun memorie naar uw arrest van

24 maart 1999 , volgens hetwelk 'de zaak krachtens het zevende lid

van het vernoemde artikel (127), de onderzoeksrechter van de zaak is ontlast

zodra hij verslag heeft uitgebracht voor de raadkamer'. Dat arrest

moet, me dunkt, in zijn context worden teruggeplaatst . Uw Hof heeft beslist

dat de verdachte, wanneer het, bij de regeling van de rechtspleging, een

beschikking tot verwijzing vernietigt en de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling

verwijst, geen verzoek meer aan de onderzoeksrechter kan richten met toepassing

van art. 127, vierde lid, Sv., met het oog op het verrichten van een bijkomende

onderzoekshandeling.

De zaak wordt immers aan de onderzoeksrechter

onttrokken, aangezien alleen de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd

is om, in voorkomend geval, aanvullende opdrachten te bevelen krachtens

art. 228 van hetzelfde wetboek . Zelfs als zij de onderzoeksrechter die

de zaak heeft onderzocht, aanwijst om die opdrachten te verrichten, handelt

deze krachtens die opdracht en niet krachtens zijn gewone bevoegdheid

.

In een arrest van 29 maart 1994 vermeldt uw Hof duidelijk

dat de onderzoeksrechter 'zijn rechtsmacht blijft behouden totdat

de rechtspleging geregeld is door de raadkamer of overeenkomstig de bepalingen

betreffende de regeling van rechtsgebied dan wel totdat een beslissing

van de raadkamer hem van het onderzoek ontlast' . In een arrest van

10 aug. 1998 heeft uw Hof nogmaals, maar deze keer impliciet, beslist

dat de zaak door de beschikking tot verwijzing aan de onderzoeksrechter

onttrokken wordt. Dat arrest beslist dat, als de raadkamer, bij de regeling

van de rechtspleging, overeenkomstig de vordering van het O.M.

alleen uitspraak doet t.a.v. een bepaalde verdachte, maar niet t.a.v.

een andere verdachte tegen wie het openbaar ministerie niet gevorderd

heeft, hoewel hij door de onderzoeksrechter in verdenking was gesteld,

de beschikking van de raadkamer niet tot gevolg heeft dat de zaak, wat

de andere verdachte betreft, aan de onderzoeksrechter wordt onttrokken.

Wat impliceert dat de zaak m.b.t. de eerste verdachte door de beschikking

wel degelijk aan de onderzoeksrechter is onttrokken.

Het dient

te worden opgemerkt dat de zaak niet alleen door de beschikking van de

raadkamer die de rechtspleging regelt, aan de onderzoeksrechter wordt

onttrokken , maar, meer algemeen, door elke beslissing van de raadkamer

waardoor zij haar rechtsmacht m.b.t. de strafvordering volledig uitoefent

. Die regel dekt de verschillende denkbare hypotheses, ook die van vernietiging

van de beschikking en van verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling

na de regeling van het rechtsgebied, en die van deze zaak : de beschikking

tot overzending van de stukken naar de procureur generaal op grond van

art. 133 Sv.

15. Het derde en het vierde middel missen m.i.

feitelijke grondslag, aangezien ze volgens mij steunen op een onjuiste

lezing van het proces verbaal van de terechtzitting van 27 april 2001

van het hof van assisen. Daarenboven faalt het derde middel ook naar recht,

in zoverre er geen algemeen beginsel van het recht op tegenspraak bestaat

dat verschilt van algemeen beginsel van het recht van verdediging .

16. Geen enkel middel dient m.i. ambtshalve te worden opgeworpen.

De cassatieberoepen zijn volgens mij doelloos geworden, in zoverre zij

gericht zijn tegen de bevelen tot onmiddellijke aanhouding, aangezien

de beslissingen tot veroordeling gezag van gewijsde hebben verkregen wegens

de verwerping van de daartegen gerichte cassatieberoepen .

Conclusie : verwerping.

Brussel, 14 december 2001.

Advocaat generaal J. Spreutels.

Fiches 5 - 6

De zaak wordt alleen aan de onderzoeksrechter onttrokken door de beslissing

waarmee de raadkamer haar rechtsmacht m.b.t. de strafvordering volledig

heeft uitgeoefend (1).

Thesaurus CAS:

ONDERZOEKSRECHTER

Vrije woorden:

ONDERZOEKSRECHTER - Aanhangigmaking - Afsluiting van het onderzoek - Voorwaarden

- Art. 133, Sv.

Wettelijke bepalingen:

Wetboek van Strafvordering - 133

Thesaurus CAS:

ONDERZOEK IN STRAFZAKEN

Vrije woorden:

ONDERZOEK (IN STRAFZAKEN) - Onderzoeksrechter - Aanhangigmaking - Afsluiting

van het onderzoek - Voorwaarden - Art. 133, Sv.

Wettelijke bepalingen:

Wetboek van Strafvordering - 133

Fiche 7

Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak dat

onderscheiden is van het algemeen beginsel van het recht van verdediging

(1).

Thesaurus CAS:

RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE)

Vrije woorden:

RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) - Begrip - Recht op tegenspraak - Recht van

verdediging - Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging

Nota:

Concl. adv.-gen. Spreutels, cass., 9 jan. 2002, AR P.01.1035.F, nr...