Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:ARANT:2018:JUG.20180418.8 ECLI:BE:ARANT:2018:JUG.20180418.8 Généré par l'IA

Court annuls VAPH priority decision due to insufficient motivation and conflicting evidence in disability support case.

Numéro de cause ECLI:BE:ARANT:2018:JUG.20180418.8
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The court declared the applicant's appeal admissible but only partially founded, ordering the annulment of the Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap's decision. The applicant, a 60-year-old with cerebral palsy, requested priority group 1 based on deteriorating health and excessive family care, while the agency assigned group 2. The court ruled that the Regional Priority Commission's decision lacked sufficient motivation and contradicted the multidisciplinary report, necessitating a new, properly reasoned decision within four months.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken: Administrative decisions by the Regional Priority Commission must be individually and sufficiently motivated, particularly when exercising broad discretion, and cannot rely on standard formulas that contradict submitted evidence.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative motivation disability priority group VAPH annulment procedural fairness deteriorating health multidisciplinary report reconsideration order pièces justificatives manquantes

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen
Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
De rechtbank past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe en meer in het bijzonder de artikelen 2, 34, 35, 36 en 37.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN

AFDELING ANTWERPEN

17/3652/A

18 april 2018

In de zaak :

H. H.,

wonende te [adres],

Eisende partij

verschenen in persoon.

tegen

VLAAMS AGENTSCH. PERSON.MET EEN HANDICAP ,

met kantoren te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 37,

Verwerende partij

vertegenwoordigd door meester KEYMIS LIESELOTTE loco meester LECOUTRE RUDI,

met kantoor te 2018 ANTWERPEN, De Damhouderestraat 13.

1. PROCEDURE

De rechtbank past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe en meer in het bijzonder de artikelen 2, 34, 35, 36 en 37.

De stukken van het geding werden gevoegd bij het dossier van rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan.

De partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 07/02/2018.

Substituut arbeidsauditeur, K. Belmans, legde namens het openbaar ministerie een schriftelijk advies neer ter griffie op 21/02/2018.

2. DE VORDERING

De heer H. tekent beroep aan tegen de beslissing van het VAPH van 12 september 2017:

"Uw aanvraag tot herziening prioriteit is besproken door de heroverwegingscommissie op 1 september 2017. De bespreking van de commissie luidt als volgt:

"Rekening houdend met alle elementen in het dossier en het gesprek ter zitting is de commissie van oordeel dat prioriteitengroep II in uw situatie het meest aangewezen is. De commissie bevestigt het voornemen van de regionale prioriteitencommissie en adviseert dat u behoort tot prioriteitengroep II met als datum 21 april 2017.

Dit betekent dat uw vraag persoonsvolgend budget met budgetcategorie II werd ingedeeld in prioriteitengroep 2. Binnen uw prioriteitengroep worden alle aanvragen uit uw provincie gerangschikt op basis van de datum waarop het ondersteuningsplan PVB of een checklist prioritering bij het VAPH werd ingediend. Uw datum in de prioriteitengroep is 21 april 2017. De terbeschikkingstelling van uw budget wordt bepaald op basis van uw prioriteitengroep, uw datum van indiening en de budgetten waarover het VAPH beschikking krijgt."

(...)

De commissie oordeelde dat: "

- Uw huidige ondersteuning vrij goed tegemoet komt aan de ondersteuning die u wenst;

- U snel nood heeft aan de gevraagde ondersteuning omwille van de dringendheid waarmee u deze vraag aan het VAPH stelt

- Zij de bovenmatige en langdurige zorg geboden door uw familieleden, vrienden of vrijwilligers erkennen door u een hogere prioriteitengroep toe te kennen."

De heer H. vordert de toewijzing naar prioriteitengroep 1.

De vordering werd tijdig en op correcte wijze ingediend. De ontvankelijkheid wordt niet betwist.

3. DE FEITEN

De heer H. is 60 jaar en werd geboren met cerebrale palsy.

Hij vertoont een spastisch diplegisch beeld ten gevolge van een chronisch hersenletsel. Deze diagnose is gekend als degeneratief, vooral na 60 jaar. Zijn zelfredzaamheid is de laatste jaren drastisch achteruitgegaan. Hij is rolstoelgeboden. Nu verminderen ook zijn bovenste ledematen drastisch in functie. Zijn rechterschouder is a-functioneel en zijn linker pols vertoont wegens overbelasting een carpel tunnelsyndroom. Er zijn evenwichtsproblemen met een groot valrisico. De transfers gebeuren met veel moeite.

Hij staat sinds 2011 op de wachtlijst voor een Persoonlijk Assistentiebudget.

Bij brief van 14 juli 2016 deelde het VAPH mee dat zijn actieve zorgvraag werd omgezet in een toewijzing van een PVB, budgetcategorie II in prioriteitengroep 3 met datum 26/10/2011 in de prioriteitengroep.

De heer H. vroeg een herziening van zijn prioritering. Deze aanvraag werd behandeld door de Regionale Prioriteitencommissie (RPC) Antwerpen op 7 juli 2017. Op 14 juli deelde het VAPH het voornemen tot wijziging van prioriteitengroep voor een PVB mee: budgetcategorie II in prioriteitengroep 2 met datum 21/04/2017 in de prioriteitengroep.

De heer H. diende een verzoek tot heroverweging in tot wijziging van de prioriteitengroep. De Adviescommissie bevestigde het voornemen van de RPC.

Op datum van het verslag van het MDT woonde zijn twee volwassen kinderen van 25 en 22 jaar nog bij hem. De heer H. is 7 jaar geleden gescheiden van zijn echtgenote. De ex-echtgenote bleef hem echter ondersteunen waar nodig. Ze woonde nog jarenlang 3 nachten per week bij hen in. Ze nam in eerste plaats in functie van de kinderen taken op zich zoals boodschappen doen, koken, wassen en strijken. In deze zorg betrok zij ook haar ex-echtgenoot. Ondertussen heeft zij een nieuwe partner die een B&B runt in een woonboot. Aangezien de kinderen oud genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen is dit voor mevrouw het moment om de ondersteuning stop te zetten en haar eigen leven te leiden.

De heer H. heeft een hoge ondersteuningsnood. Hij woont in een huis met een verdieping waarin alles voor hem op het gelijkvloers is geïnstalleerd. Hij is een erg actief man en cognitief zeer sterk.

Hij kan zichzelf nog aan- en uitkleden zonder ondersteuning, mits veel tijd, veel pijn en moeite. Bij het wassen gebruikt hij een douchestoel. Binnenhuis maakt hij gebruik van een scooter. Hij gaat met een buitenscooter zelfstandig naar de kinesitherapeut, de mindfulness, de markt, culturele activiteiten. Hij is raadslid van het OCMW. Er komt een poetsvrouw. Transfers gaan heel moeilijk. Zijn toestand gaat achteruit. De heer H. vreest dat hij zich weldra niet meer zelfstandig zal kunnen verzorgen. Op reis gaan kan hij niet meer. Hij kan zijn rolwagen niet meer in de auto tillen.

Hij krijgt momenteel volgende ondersteuning:

Mantelzorg:

- Ex-echtgenote: huishoudelijke taken, reparaties, onderhoud van tuin. Zij blijft momenteel nog 2 nachten per week slapen. Dit is tijdelijk, in de zomer van 2018 zal deze ondersteuning volledig afgebouwd zijn. Zij doet dit al vijf jaar langer dan ooit de bedoeling was

- Kinderen: dagelijks, taken die onmiddellijk hulp vragen en vermijden dat de heer H. moet opstaan, afwasmachine uitladen, boodschappen doen ...

- Familieleden: occasioneel, voor grotere verplaatsingen. De heer H. rijdt zelf nog heel uitzonderlijk met de auto, het vraagt hem teveel moeite om zelf zijn scooter in te laden.

Professioneel: kinesitherapie, roltaxi, poetshulp met dienstencheques

Op vlak van permanentie kan hij momenteel nog een dag alleen thuis zijn als hij telefonisch iemand kan bereiken of oproepen die onmiddellijk fysiek aanwezig is. Er is geen dagelijkse aanwezigheid of toezicht nodig, maar wel de zekerheid dat er iemand snel beschikbaar is wanneer dit nodig is.

Volgens de notulen van de vergadering van de RPC 7 juli 2017:

- komt de ondersteuning tegemoet aan de noden, er is geen kloof

- heeft de heer H. een beperkte ondersteuningsnood en geen fysieke aanwezigheid nodig

- de draaglast van de mantelzorgers is groot, ondersteuning is wenselijk

- hij maakt gebruik van ondersteuning, maar onvoldoende / onaangepast of beperkte tijd vol te houden

- situatie acuut: 1/5 overtuigend aangetoond

- is er risico dat integriteit van persoon in gedrang komt

- is de zorgsituatie beperkte tijd vol te houden

- is de levenskwaliteit van de persoon in het gedrang

- zijn de ontwikkelingskansen van de persoon in het gedrang

- de integriteit van het netwerk is niet in het gedrang

- er is bovengebruikelijke zorg in het heden

- geen bovengebruikelijke zorg in het heden.

4. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De heer H. stelt dat hij veel energie verbruikt om zo zelfstandig mogelijk te zijn hetgeen hem steeds minder lukt. Omwille van het gebrek aan professionele ondersteuning heeft hij geen andere keuze dan zijn lichaam over te belasten, waardoor zijn situatie nog sneller achteruitgaat.

Hij is niet in de mogelijkheid om alle noodzakelijke professionele ondersteuning financieel te dragen. Hij heeft poetshulp, maar dat is onvoldoende voor alle hulp die hij nodig heeft.

Zijn sociaal netwerk zal in de nabije toekomst bijna volledig weg zijn. Zijn zorgbehoefte stijgt dag na dag.

Zijn beide kinderen staan op het punt op een positieve wijze te vertrekken vanuit het ouderlijk huis, eigen aan de leeftijd. Zijn dochter kan het emotioneel niet aan om te gaan samenwonen zolang er voor hem geen PVB beschikbaar is. Hun toekomst niet hypothekeren is voor hem een belangrijke motivatie.

Ter zitting verklaart de heer H. dat zijn zoon ondertussen met zijn partner gaan samenwonen is. Zijn dochter is op zoek naar een woning. Tegen de zomer zal hij alleenwonende zijn. Zijn lichaam takelt verder af. Hij heeft nu een elektronische rolstoel. Hij kan niet meer stappen, zijn schouder is kapot. Hij wil niet naar een verzorgingstehuis gaan. Hij wil assistentie zodat de kinderen met gerust gemoed het huis kunnen verlaten. De onzekerheid is zeer zwaar. Zijn dochter is in psychiatrische begeleiding, zij kan het aftakelen van haar vader niet aanzien. Als de pees scheurt in zijn andere schouder kan hij niet meer zelf voor zijn eigen verzorging zorgen.

Verwerende partij verwijst naar de toepasselijke wetgeving. De toepassing van deze principes leidde tot de toewijzing prioriteitengroep 2 met datum 21 april 2017 in de prioriteitengroep.

5. ADVIES ARBEIDSAUDITEUR

Mevrouw de Arbeidsauditeur werpt op dat de regionale prioriteitencommissie een discretionaire bevoegdheid heeft, wat wil zeggen dat zij beschikt over een beoordelingsvrijheid die haar toelaat binnen de grenzen van de wet zelf de uitvoeringsmodaliteiten van haar bevoegdheid te bepalen en de oplossing te kiezen die haar het meest passend lijkt. Hierbij kan de rechter het bestuursorgaan haar beleidsvrijheid niet ontnemen, noch zich in haar plaats stellen. De rechter heeft enkel een marginaal toetsingsrecht.

Deze discretionaire bevoegdheid neemt niet weg dat haar beslissingen voldoende gemotiveerd moeten zijn.

In de motivering van de beslissing wordt er geen enkele verwijzing gedaan naar de diverse criteria bepaalt dat artikel 10 en 11 van het B.V.R. van 4 maart 2016. Evenmin wordt er verwezen naar gegevens die aangeleverd werden door de heer H. zelf. Door op dergelijke algemene wijze te motiveren is het onmogelijk om na te gaan of de beslissing onwettig is of kennelijk onredelijk.

In de notulen van de regionale prioriteitencommissie van 7 juli 2017 wordt er wel verwezen naar de diverse criteria waarmee de regionale prioriteitencommissie rekening dient te houden, maar de motivering per criterium is uiterst kort en er wordt opnieuw niet verwezen naar gegevens die aangeleverd werden door eisende partij zelf omtrent zijn specifieke medische toestand, noch naar de informatie vermeld in het multidisciplinair verslag.

De bestreden beslissing is bijgevolg onvoldoende gemotiveerd en moet worden vernietigd waarna de RPC dient verplicht te worden een nieuwe beslissing te nemen.

6. BEOORDELING

6.1 ontvankelijkheid van de vordering

De vordering werd tijdig en op correcte wijze ingesteld. De ontvankelijkheid wordt niet betwist.

6.2 grond van de zaak

principes

Het recht op zorg voor personen met een handicap is nationaal en internationaal erkend.

Bij decreet van 25 april 2014 werd de Persoonsvolgende financiering ingevoerd. Dit Decreet past in de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (IVRPH) van 13 december 2006.

De PVF is een nieuw financieringssysteem dat uitgaat van een vraag gestuurde ondersteuning. De zorgvragers krijgen een eigen budget op maat van hun aanvraag en hun ondersteuningsnood. Met dat budget kan de persoon met een handicap de ondersteuning die nodig is inkopen bij diensten of aanbieders van zijn keuze.

De persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap bestaat uit een getrapt ondersteuningssysteem voor personen met een handicap.

- De eerste trap omvat een basisondersteuningsbudget (BOB), verstrekt in het kader van de zorgverzekering.

- De tweede trap omvat een budget, verstrekt door het VAPH voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning. (art 3 decreet)

De niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning wordt gefinancierd in de vorm van een budget. Dat budget wordt uitgedrukt in budgetcategorieën. De persoon met handicap maakt een keuze tussen een cash budget of een voucher of gebruikt een combinatie van beide. (art 10 Decreet)

De Vlaamse Regering stelt jaarlijks het budget vast dat voor de uitvoering van het decreet beschikbaar is. Deze budgetten zijn echter beperkt, en zijn absoluut niet toereikend om alle personen met handicap de noodzakelijke ondersteuning te bieden. De grootte van het budget is een politieke keuze.

De Vlaamse regering stelde een procedure vast om te bepalen welke meerderjarige personen met een handicap prioritair een budget niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning krijgen (art 16 decreet 25/4/14). Prioritair betekent: met voorrang op een andere zorgvrager.

Bij B.V.R. van 4 maart 2016 (over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming e planning in het kader van persoonsvolgende financiering,

gewijzigd bij B.V.R. van 24 februari 2017) werd een regionale prioriteitencommissie (RPC) opgericht en werden een reeks criteria vastgelegd.

De personen die niet behoren tot een van de automatische toekenningsgroepen (noodsituatie, maatschappelijk noodzaak, spoed) worden ingedeeld in een van de drie reguliere prioriteitengroepen.

De RPC beslist over de toekenning van een prioriteitengroep op basis van de volgende afwegingen:

1° de noodzaak tot onmiddellijk terbeschikkingstelling van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning of de mate waarin met het ter beschikking stellen van een budget een einde kan gemaakt worden aan een situatie die al langere tijd onhoudbaar is. Bij de afweging maakt de RPC een inschatting van

- de grootte van de ondersteuningskloof en

- de mate van dringendheid van de vraag tot toewijzing van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning.

2° het honoreren van de bovengebruikelijke zorg.

De RPC baseert de inschatting van de grootte van de ondersteuningskloof en de mate van dringendheid enerzijds op een intersubjectieve beoordeling en anderzijds op de onderlinge afweging van een aantal wettelijke criteria. (art 10 eerste lid en art 11 eerste lid B.V.R. 4/3/16)

De RPC dient de wettelijk bepaalde criteria te toetsen aan de informatie aangeleverd door de heer H. en het Multidisciplinair Team.(art 8 tweede lid B.V.R. 4/3/16) Zij heeft dus geen louter "discretionaire bevoegdheid" maar dient haar beslissing te steunen op deze wettelijke bepalingen en deze te toetsen aan de informatie aangeleverd door de heer H. en het Multidisciplinair Team.(art 8 tweede lid B.V.R. 4/3/16)

De RPC dient echter het dossier ook "intersubjectief" te beoordelen. Zij dient te vergelijken, na te gaan of de zorgzwaarte van de zorgaanvrager, in vergelijking met andere zorgvragen al dan niet groter, kleiner of gelijk is. De wetgever heeft hiermee aan de RPC uitdrukkelijk een discretionaire bevoegdheid gegeven. De RPC beschikt hierdoor over een beoordelingsvrijheid die haar toelaat binnen de grenzen van de wet, rekening houdend met haar budget en het aantal en aard van de steunaanvragen, ‘intersubjectief' te oordelen, namelijk de zorgnood van verschillende personen met een handicap te vergelijken.

De RPC's hebben tot taak om de meest dringende en schrijnende situaties te detecteren en voor deze situaties een oplossing bij voorrang te bieden in functie van het beschikbare budget. (Keunen S. en Cuypers D, Zorgen over zorg: het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) onder vuur, Soc. Kron. 2016, 4, 134.)

De beslissing dat bepaalde categorieën van personen voorrang krijgen, is een discretionaire administratieve beslissing met als doel op adequate wijze de schaarse middelen te verdelen. (Arbhof Antwerpen 8 december 2011, Soc. Kron, 2014, 454)456.)

De discretionaire bevoegdheid van het VAPH is niet absoluut maar wordt dus beperkt door de wettelijk bepaalde criteria. De rechtbank moet een volledige controle uitoefenen op de wettigheid van de onderdelen van de beslissing die niet discretionair zijn. (Arbhof Brussel, 17 oktober 2016, JTT, 2017 11.)

De rechtbank moet nagaan of de RPC de criteria correct heeft getoetst aan de informatie die zij kreeg van de zorgaanvrager of van het MDT en dat zij hieruit de gevolgtrekkingen kon nemen die zij gemaakt heeft. De rechtbank kan geen intersubjectieve beoordeling maken, zij kan geen vergelijking maken met andere dossiers. Zij kent de andere dossiers niet, noch hun graad van urgentie.

Een discretionaire bevoegdheid van een administratie sluit de controle door de rechtbank echter niet uit. Hiervoor is het noodzakelijk dat de beslissingen van de RPC afdoend gemotiveerd zijn.

Toepassing op het geschil

Afweging 1: Urgentie: noodzaak tot onmiddellijke terbeschikkingstelling van een budget (art 10 B.V.R. 4/3/16)

1e criterium: grootte van de ondersteuningskloof (art 10 B.V.R. 4/3/16)

De RPC baseert de inschatting van de grootte van de ondersteuningskloof op

- een intersubjectieve beoordeling en

- op een onderlinge afweging van drie criteria.

* Aard en intensiteit van de ondersteuningsnoden.

* draagkracht en draaglast van de mantelzorgers

* mogelijkheden en beperkingen van de huidige vrijwillige en professionele ondersteuning

De RPC kent op basis van haar inschatting van de grootte van de ondersteuningskloof een van navolgende categorieën toe voor de grootte van de ondersteuningskloof:

Categorie 1:

De persoon krijgt geen ondersteuning van reguliere diensten, mantelzorgers of familie, vrienden en informele contacten maar heeft duidelijk nood aan ondersteuning

Categorie 2:

De persoon met handicap krijgt ondersteuning van reguliere diensten, mantelzorgers of familie, vrienden en informele contacten, maar die volstaat niet meer om tegemoet te komen aan de noden van de persoon op verschillende levensdomeinen, door de intensiteit of complexiteit van de noden én de afwezigheid of overbelasting van mantelzorgers.

Categorie 3:

- de huidige ondersteuning komt vrij goed tegemoet aan de ondersteuningsnoden

- beperkte of relatief eenvoudige ondersteuning nodig.

Toepassing op dit geschil:

a) Aard en intensiteit van de ondersteuningsnoden.

Notulen RPC: "er zijn beperkte ondersteuningsnoden en er is geen fysieke aanwezigheid vereist."

De evaluatie door de RPC is ondertussen deels achterhaald. Nu de heer H. rolstoelgeboden is, en steeds minder zijn armen kan gebruiken, kan de ondersteuningsnood redelijkerwijze niet meer ‘beperkt' genoemd worden. De heer H. heeft hulp nodig bij het huishouden, boodschappen doen, verplaatsingen... er is inderdaad geen voortdurende fysieke aanwezigheid nodig, doch hij moet wel snel iemand kunnen bereiken die onmiddellijk kan komen.

b) draagkracht en draaglast van de mantelzorgers

Notulen RPC: "grote draaglast, ondersteuning wenselijk".

Uit het MDV blijkt dat de situatie dringend wordt. De belangrijkste mantelverzorger, zijn ex-vrouw stopt deze zomer met haar hulp. Dit is begrijpelijk, nadat ze reeds jarenlang gescheiden zijn en ze nu een nieuwe partner heeft.

Er woont, voorlopig, nog een dochter thuis. Deze kan inspringen, maar zal binnen korte tijd weggaan om haar eigen leven te leiden. Het uitblijven van een PVB waarmee haar vader zorg kan inkopen geeft psychische spanningen.

Mijnheer heeft meer en meer zorgen nodig. De draagkracht en draaglast van de mantelzorgers zijn overschreden, ondersteuning is nodig.

c) mogelijkheden en beperkingen van de huidige vrijwillige en professionele ondersteuning.

Notulen RPC: "Integriteit van het netwerk is niet in het gedrang".

De huidige vrijwillige ondersteuning zal binnen afzienbare tijd verdwijnen. Er is beperkte professionele steun, en de heer H. beschikt niet over de middelen om extra steun te betalen.

Er kan redelijkerwijze niet betwist worden dat zowel de integriteit van de dochter als van de ex-vrouw in het gedrang zijn. De ex-vrouw probeert met een nieuwe partner een leven uit te bouwen, de dochter wil op eigen benen staan en samen gaan wonen met haar vriend. Het uitblijven van een PVB waarmee haar vader zorg kan inkopen geeft psychische spanningen. De dochter heeft psychische problemen door het uitblijven van een oplossing voor haar vader.

De afweging van deze criteria zou een categorie 2 kunnen opleveren. Verwerende partij dient te motiveren waarom zij slechts categorie 3 weerhoudt.

2e criterium: inschatting van de mate van dringendheid (art 11 B.V.R. 4/3/16)

De RPC baseert zich op een intersubjectieve beoordeling en een onderlinge afweging van de volgende vijf criteria:

1° de integriteit van de persoon met een handicap

2° de integriteit van de mantelzorger

3° de onhoudbaarheid van de situatie

4 ° het feit dat de levenskwaliteit van de persoon met een handicap aanzienlijk dreigt te dalen

5° het feit dat de persoon belangrijke ontwikkelingskansen dreigt te missen.

Op basis van haar inschatting kent ze van de volgende categorieën toe voor de dringendheid van de aanvraag:

1) Categorie 1: de situatie is zeer acuut, minstens drie van de vijf criteria vermeld in eerste lid zijn op overtuigende wijze aangetoond

2) Categorie 2: De situatie is acuut, minstens een van de vijf criteria vermeld in het eerste lid, is op overtuigende wijze aangetoond;

3) Categorie 3:

o situatie is niet acuut, geen enkel van de criteria is aan de orde

o de situatie is mogelijk acuut, er lijken signalen te zijn dat één of meer van de criteria, vermeld in het eerste lid aan de orde zijn, maar de signalen zijn nog niet erg duidelijk of overtuigend, of zijn niet aangetoond.

Notulen RPC:

- "Integriteit van de persoon met handicap komt in het gedrang."

Dit is inderdaad zo. Als de mantelzorg stopt zal de heer H. in een verwaarlozingssituatie terechtkomen.

- "integriteit van het netwerk is niet in gedrang".

Dit is kennelijk onredelijk. De ex-echtgenote is reeds 7 jaar bovengebruikelijke zorg aan het verlenen. Zij zijn reeds jaren wettelijk gescheiden en toch blijft zij nog enkele nachten per week inslapen. Dit is een absurde situatie en nu zij een nieuwe partner heeft is dit niet meer houdbaar. Momenteel wordt haar integriteit zwaar geschonden.

Hetzelfde geldt voor de dochter die wil apart wonen met haar vriend, maar wordt tegengehouden door de zorg voor haar vader.

- "De zorgsituatie is beperkte tijd vol te houden"

De ondersteuning van de ex-echtgenote zal stoppen in de zomer. Zij heeft deze situatie al vijf jaar langer volgehouden dan voorzien. De dochter is op zoek naar een woning en zal eveneens het huis verlaten.

- "de levenskwaliteit van de persoon is in het gedrang".

Dit is inderdaad zo. Als de mantelzorg stopt zal de heer H. in een verwaarlozingssituatie terechtkomen. Zijn mobiliteit zal hem niet langer toelaten om buiten te komen en sociale contacten te beleven. Als zijn lichaam niet de nodige ondersteuning krijgt die is aangepast aan zijn specifieke zorgnood, zal zijn lichaam nog meer achteruitgaan omdat hij het noodgedwongen belast.

De afweging van deze criteria zou een categorie 2 kunnen opleveren. Verwerende partij dient te motiveren waarom zij slechts categorie 3 weerhoudt.

Afweging 2: Het honoreren van de bovengebruikelijke zorg. (art 12 B.V.R. 4/3/16)

Hier wordt nagegaan of er meer zorg dan gebruikelijk wordt opgenomen door de ouders, partner, kinderen, vrienden of informele kennissen. Concreet wordt gekeken naar zorg in het heden en zorg in het verleden.

Het agentschap ontwikkelde hiervoor een zorgzwaarte-instrument, dat bestaat uit schalen en beslissingsregels die toelaten de zorgzwaarte van iedere meerderjarige persoon met handicap uit te drukken in de parameters:

- begeleiding: nood aan ondersteuning door personen overdag

- permanentie: nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag

- nachtpermanentie: nood aan toezicht en ondersteuning 's nachts

Als de RPC heeft vastgesteld dat er bovengebruikelijke ondersteuning is in de huidige situatie of langdurige bovengebruikelijke zorg in het verleden, kent de RPC de eerstvolgende hogere prioriteitengroep toe.

De inschaling door middel van het zorgzwaarte-instrument wordt niet voorgelegd maar de bovengebruikelijke zorg werd erkend door het VAPH.

Besluit:

Overeenkomstig de wet van 29.7.91 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dient een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een bestuurde uitdrukkelijk te worden gemotiveerd.(art 1 en 2-wet 29.7.91)

De discretionaire bevoegdheid van de RPC neemt niet weg dat haar beslissingen voldoende moeten gemotiveerd zijn. De motiveringsplicht is zelfs essentieel daar de RPC een ruime beoordelingsmacht heeft.

De beslissing van het VAPH bevat slechts een standaardmotivering. De notulen van de RPC bevatten slechts een uiterst summiere motivering met geen enkele verwijzing naar de concrete gegevens die aangeleverd werden door de heer H. zelf of het Multidisciplinair Team.

Op basis van deze beslissingen kan de rechtbank niet nagaan of de beslissing onwettig is of kennelijk onredelijk. De beslissingen dienen alleen al om deze reden vernietigd te worden.

Sommige motiveringen opgenomen in de notulen van de RPC zijn in tegenspraak met de inhoud van het Multidisciplinair verslag. Andere motiveringen zijn achterhaald, de toestand van de heer H. gaat immers steeds achteruit.

De regionale prioriteitencommissie dient een nieuwe beslissing te nemen. Meer bepaald een beslissing waarin zij verwijst naar alle criteria vermeld in de artikelen 8 en volgende van het B.V.R. van 4/3/16 en naar de specifieke gegevens omtrent de toestand van de heer H. zoals vermeld in het Multidisciplinair verslag.

De RPC dient te motiveren waarom zij voor de grootte van de ondersteuningskloof en de inschatting van de mate van dringendheid, slechts categorie 3 toekende in plaats van categorie 2.

7. BESLISSING

Na beraadslaging beslist de rechtbank op tegenspraak,

Verklaart de vordering ontvankelijk doch slechts in volgende mate gegrond.

Vernietigt de beslissing van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap van 12 september 2017.

Stuurt het dossier opnieuw naar het VAPH.

Zegt voor recht dat de regionale prioriteitencommissie binnen de vier maanden een nieuwe, gemotiveerde beslissing dient te nemen, waarin zij alle criteria vermeld in het B.V.R. van 4 maart 2017 in acht dient te nemen en inzage geeft in de intersubjectieve beoordeling, rekening houdend met de inhoud van dit vonnis.

Heropent de debatten om verwerende partij toe te laten deze nieuwe beslissing voor te leggen.

Verzoekt op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten:

- verwerende partij deze beslissing voor te leggen uiterlijk op 20 augustus 2018 .

- Eisende partij haar schriftelijke opmerkingen neer te leggen uiterlijk op 20 september 2018

- Verwerende partij haar schriftelijke opmerkingen neer te leggen uiterlijk op 10 oktober 2018

Stelt de zaak voor pleidooien op 31 oktober 2018

Houdt de beslissing betreffende de kosten aan.

...

en uitgesproken op achttien april tweeduizend achttien in openbare terechtzitting van de 10 kamer van de ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN - AFDELING ANTWERPEN

PDF document ECLI:BE:ARANT:2018:JUG.20180418.8